MeeNeemMening

Uw baken in dit tijdperk van weemoed. Verkrijgbaar in verschillende porties. Open 24-7. Geen levering aan huis.

Lang gehoopt

Eerst gedacht
Dan verwacht
Maar niet meteen gekomen

Dan gewroet
Hard gestreden
Lang gehoopt
En opgegeven

Dan het niets
Een stille wens
De zon komt op
En toch gekregen

Advertenties

Beledigen

I’m on a roll, alle oude idolen aan het opsporen.

Dit is toch geweldig:

Ik wou het interview helemaal neerschrijven maar ik was te lui. En u kan zelf ook wel op de play knop duwen.

2007 alweer. Pure wijsheid.

Grappen moeten kunnen. Meningen moeten kunnen. Beledigen moet kunnen.

Geweld gaat de grens over. Overal in de wereld.

Je moet een schild hebben. Je moet met alles kunnen lachen. Ook met jezelf.

Waarom hebben we al die religie nodig. Als we ons gewoon eens aan die stelregel zouden houden?

Ik zie mensen die homoseksualiteit verwerpen. Die weglopen als ze een minirok zien. Dat vind ik ook beledigend.

Knap, om eender waar je pure opinie te geven.

Oh, en trouwens, ze hebben er spijt van, die meiden. Er is nog hoop.

En voor de duidelijkheid. Hij lachte in dat liedje wel met meer dan een religie.

Urbanus

Mijn ouders vonden het niet okee dat ik stripverhalen las van Urbanus.

Die werden gegeven door — tjah, weet ik het, nietsvermoedende? — familieleden.

Condomen, seks, dialect, al wat slecht was voor opgroeiende kinderen kwam eraan te pas.

Ik vond het maar niets, omdat mijn ouders het maar niets vonden, maar stiekem las ik ze toch.

Later, toen ik op toneelschool zat, was het verplichte kost tijdens repertorium studie.

De leerkracht vond het geweldig. Goeie gast, maar soms was ik het toch niet eens.

En als ik het nu bekijk, vind ik het ook geweldig.

Ach toch.

En trouwens: 2001, maar bij het terugkijken nog zo veel thema’s relevant. En wij maar denken dat we in een modern tijdperk leven, hehe. Millenniumgeneratie mijn achterste:

Zotte dingen

Man ik hou van kleinkunst.

Zjef Vanuytsel – Zotte Morgen

De nacht sluipt weg de lucht verbleekt 
De schimmen vluchten zwijgend 
En aan de verre horizon 
begint de zon te stijgen 
En daar trekt uit de nevel op 
de klaarte van de dageraad 
met in zijn schoot geborgen 
De zotte morgen 

De stad ontwaakt de eerste trein 
breekt door de stilte en op zijn 
signaal begint de wildedans der dwazen 
De mens kruipt uit zijn ledikant 
denkt aan zijn werk en met zijn krant 
ijlt hij nog halfslaperig door de straten 
De wereld herneemt zijn zotte zorgen 
het ritme van de zotte morgen 

Nu kleurt de einder rood en valt 
de kou zacht door de ramen 
De stilte vlucht voor al’t lawaai 
dat opstijgt uit de straten 
En daar is dan de morgen weer 
een schaterlach en elke keer 
verdrijft hij zonder schromen 
de nacht de dromen 

De stad wordt wild en auto’s razen 
door zijn poorten en de laatste 
rust wordt uit zijn schuilhoek gedreven 
Vogels vluchten vol verdriet 
uit zijn torens want hun lied 
wordt nu door niemand meer begrepen 
Mensen lopen naast elkaar 
Een verre groet een stil gebaar 
want alles wordt nu door de tijd gemeten 
De wereld herneemt zijn zotte morgen 
Het ritme van de zotte morgen 

Maar’t land zelf slaapt zijn roes nog uit 
Diep onder’t loof verscholen 
Hier komt geen mens of geen geluid 
d’oneindige rust verstoren 
Terwijl de stad nu raast en schreeuwt 
de morgen zijn bevelen geeft 
wordt hier bij’t ochtendgloren 
de dag geboren 

En ook de kinderen en de dwazen 
blijven tussen de rozen slapen 
Ver en veilig geborgen 
voor het ritme van de zotte morgen

Zeg nu zelf: zelfs elke zin in afzondering is meesterlijk.

Tijd is een deling, zegt oma

Het wijste dat mijn oma ooit tegen mij heeft gezegd was het volgende.

Ik logeerde als kleine jongen weer eens een tweetal weken bij hun. Telkens opnieuw een heerlijke tijd.

Eerst: het unieke van in een nieuwe omgeving te zijn, met andere “voogden”, en andere regels. Soep exact om twaalf uur. Middagmaal exact om kwart na twaalf. ’s Avonds tv kijken tot tien uur. Een beetje langer dan ik thuis mocht opblijven. En meer kanalen op tv dan we thuis hadden.

Dan: het gemis van thuis. Het missen van de ouders. Toch telkens stiekem op voorhand ook wat uitkijken naar dit gevoel van weemoed. Soms moet je wat pijn voelen om geluk te beseffen.

Maar tegelijk ook verdriet, dat het weer bijna voorbij was, en dat het weer een hele tijd zou duren tot het volgende bezoek. Eenmaal per jaar, dat was ongeveer het gemiddelde.

Ik was hierover aan het klagen tegen oma-lief in hun kleine keuken, maar waar het telkens warm was en er wel wat lekkers aan het wachten was. Een genot van de oudere generatie, is dat. Is de meeste echte huishoudens — ik ging eerst “gelukkigere” als adjectief gebruiken, maar ook in keukens hangt het kruis soms wat scheef — hangt moeder voor het merendeel in de keuken uit terwijl vader in de tuin zit. Nieuwe rolverdelingen allemaal goed en wel, maar soms zit de waarheid in traditie. Het zou fijn zijn moesten conservatievelingen beseffen dat tradities vaak universeel zijn, en progressievelingen dat niet elke traditie slecht is.

Maar ik was dus aan het klagen, dat het weer zo lang zou duren, en hoe het kon dat ik daar zo vanaf zag. Wanneer verre vriendjes op bezoek kwamen was dat net zo: de ouders gingen uiteindelijk weer naar huis, die na enkele uren bijpraten moe en uitgeput waren en het wel gehad hadden, terwijl wij kinderen het moesten stellen met een mager stel uren waarin slechts zo weinig te doen was. Pure wreedheid was het. Een uur extra was toch het einde van de wereld niet?

“Tijd,” zei ze toen, “is iets relatief.” Nee, dat zei ze niet zo — “relatief” behoorde niet tot haar woordenboek, maar dat bedoelde ze. Wat ze eigenlijk zei was. “Ach jongen toch. Voor jou is een jaar zo lang, want het is een tiende van je leven. Voor mij is een jaar snel voorbij, want het is een zeventigste van mijn leven. Dat is waarom de tijd sneller gaat wanneer je ouder wordt. Dat zal je nog wel merken.”

Het was een simpele zin, maar een waar ik vaker nog vaak aan zou denken, zeker nu ik zelf ouder ben en de tijd steeds sneller begint te gaan. Waarbij ik besef dat de dag dat ik mijn vrouw ontmoette gisteren leek, maar ondertussen al enkele jaren in het voorbije ligt.

Een beetje triest dat ik geen betere band had met mijn oma. Ik herinner me dat ik ooit eens een opstel voor school moest schrijven over “hoe het vroeger was” en een paar uur met haar aan de lijn hing (niet aan het lijntje; de telefoonlijn). Een mooi moment, want ze praatte echt voluit over hun eerste huisje, met aarden grond. De vele kinderen. Het feit dat vlees een zeldzaamheid was. De oorlog. Jammer dat ik te jong was om meer van de verhalen te genieten. Ik besefte ergens wel dat er waarde in zat en het is ook blijven nazinderen, maar had een kopie moeten nemen van het opstel of mijn notities. Jammer.

En nu is ze gestorven. Al een paar maanden. Misschien zit er wel een laatste wijsheid in. De tijd gaat exponentieel sneller. Als een versnellende tijdreeks. Een straaljager die de geluidsbarrière doorbreekt. Om dan plots — en dat doen straaljagers niet — plots te stoppen.

Ik heb gehuild tijdens de begrafenis. Achteraf was ik niet zeker of ik dat deed uit terecht verdriet of eerder omdat het zo hoorde. Achteraf heb ik er niet zo veel meer aan gedacht.

Maar haar foto heeft toch nog lange tijd hier op de kast gestaan. En het besef is er nu dat het me toch wat doet. De band was op het einde wat zoek. Omwille van mama. Omwille van opa. Mensen zijn niet perfect, en sommigen zijn erg on-perfect. Maar zij verdiende het niet. Jammer.

Ze ging bidden in de hemel. Als je daar bent: ik denk aan je.

Zout van het leven

Het is vooral een onderstreping van mijn eigen ongelofelijke hoog opgeblazen zelfbeeld (gecombineerd met minderwaardigheidscomplex, u weet wel, dan kan wel degelijk) dat ik mezelf zo geweldig vind en tegelijk zo kan wenteling in afzondering, maar toch sta ik geregeld nog versteld van het feit hoe veel echt interessante dingen mensen met zich kunnen meedragen. Om tussen het midden van onze betonnen jungle zielgenoten te ontmoeten waarmee het fijn kletsen is. En dan is het fijn dat die afzondering op puur natuurlijke wijze kan afvallen.

Wel niet met de managers met een dik salaris, dikke wagen, dik huis en dikke buik. Die denken dat ze het druk hebben. Maar meetings elke dag is niet echt werken. Misschien daarom dat ze zo gefrustreerd zijn, want ze hebben nooit een vuilblik vastgehad. Maar o-zo belangrijk, toch?

Ook niet met de nine-to-fivers, die netjes arriveren en vertrekken met het verstrijken van de grote wijzer. Met 1.3 kinderen en 1.0 partner. Met ’s avonds 130 minuten televisie en dan naar bed. Seks op zaterdag en soms op donderdag.

En niet met de pseudo-intellectuelen, loge-gangers of andere salon-vertoevers. Die wel eens een boek lezen, naar een toneelstuk gaan en naar dat nieuwe album luisteren, en het vooral aan de wereld moeten melden. Of academici die er maar wat op los tweeten.

Noch de hoog-intellectuelen. De computerwetenschappers en andere Mensa-nen voor wie elke uitdaging en confrontatie een arena is waarin ze hun superioriteit moeten bewijzen.

Of politici, beleidsmakers, rectoren, mandatarissen, gouverneurs, en dat soort volk.

Maar zoals vandaag. Een stoere en zwijgzame kerel. Met motivatie maar tegelijk ook een zweem van stilte. Waarmee het snel klikt, ook al ontwijk je elkaar. Dat is fijn. En dan iemand die jaren heeft gewerkt als kok, die een eigen restaurant wou openen, maar dat niet heeft gedaan. En als timmerman, en als consultant, en als secretaris op een universiteit. En de dertig jaar nog niet heeft bereikt. En dan statisticus. Die boeken leest over geschiedenis, gewoon voor de lol. Die dit alles vertelt terwijl je samen aan het wandelen bent, zonder spoor van opschepperij.

En wie het eigenlijk compleet worst zal wezen wat jij er van denkt.

Dat zijn fijne mensen. Wanneer ze zo’n flinke portie zout meedragen.

Alfabet der mensen (B1): Een aai over de bol

Soms duurt het meer dan vijf jaar om een stapje vooruit te zetten. Zo gaat dat blijkbaar in mijn alfabet der mensen.

En toch is dit er eentje waar ik — vijf jaar geleden al — van wist dat die eraan zou komen. Geen romantisch gezwets dit keer, maar gewoon een idioot, simpel moment tussen twee kinderen.

Vreemd toch hoe dit soort zaken je psyche voor de rest van je leven beïnvloeden. 

*
*     *

Dit keer gaan we ver terug in de tijd, de lagere school, om precies te zijn. Ik heb tijdens mijn kinderjaren heel wat lagere scholen aangedaan (in die mate zelfs dat de eersten een schim in mijn geheugen zijn geworden die nog veel meer mentaal graafwerk zouden vereisen dan wat ik al voor dit verhaal aan het doen ben), maar dit verhaal speelt zich af in de lagere school die ik “voor het merendeel van de tijd” bijwoonde: van het derde tot laatste, zesde, jaar, als ik me niet vergis.

Ik denk dat dit verhaal zich afspeelt in het vijfde of zesde jaar. Ik zou het eigenlijk makkelijk kunnen opzoeken, omwille van een hype die toen volop speelde bij het jonge volkje, waarover later meer.

De “B” van dit verhaal was een klasgenoot die al van bij mijn eerste intrede de aandacht wist te wekken. Een jongen. De reden was simpel: tijdens die vroege jaren van mijn educatie was het nog behoorlijk simpel om met een minimum aan inspanning een flinke portie aan punten te scoren, zij het wel dat ik al van bij het begin in competitie was met B.

Kwalijk kan ik het hem eigenlijk niet nemen, achteraf beschouwd. Ik had immers de natuurlijke balans der dingen verstoord. Het zat zo: B was tijdens de voorbije drie jaren al in een hevige “primus”-strijd verwikkeld met… wel, een tweede B (zo gaan die dingen nu eenmaal). B1 moest het voornamelijk hebben van een stevige portie intellect (ook vrij ongewoon in het kleine dorpje waar we zaten) gecombineerd met een strenge opvoeding van mammie- en pappie-lief van het type dat uitdraait in avondlessen piano, dagelijkse controle van de schoolagenda, en een gebrek aan recreatieve activiteiten tot-het-huiswerk-gedaan-is stijl van begeleiding. Kortom: goed op weg om een strever te worden. Met ouders die het hoogste belang hechten aan cultuur en discipline.

Hij kon er niet aan doen, natuurlijk, maar ik haatte hem.

B nummer twee was een heel ander type. Slimmer van nature (en moest minder hard “werken” voor de resultaten), met ouders die het niet zo nauw namen met de opvoeding. Hier had ik het goed mee kunnen vinden, ware het niet dat het testosteron gehalte bij B2 al flink de hoogte in aan het gaan was en hij zich dus wat rebelser opstelde, terwijl bij mij de baard in de keel nog aan het eerste haartje moest beginnen. Gevaarlijk dus, voor mij jonge hartje.

Maar punten halen deed hij wel, en geliefd bij de vrouwelijke leerkrachten — de juffrouwen — was hij ook al.

Als we echter iets gemeen hadden, dan was het wel dat we elkaar snel vonden in onze gemeenschappelijke strijd om B1 de loef af te steken. Doch tevergeefs. Soms kwam ik als tweede uit de klasrangschikking uit, en soms B2, maar slechts zelden wist een van ons het te halen tegenover de onklopbare B1.

En dus bleef B1 het onklopbare haantje-de-voorste van de klas, en kwam er een nieuwe balans tot stand.

Aanvankelijk stroomde de jaloersheid door mijn aderen, elk lesuur van de dag opnieuw. Taal, wiskunde, of geschiedenis, het was blijkbaar allemaal geen probleem voor mijnheer, die bovendien ook een aardig stukje gitaar (dat van die piano was gelogen) kon spelen. Af en toe was er een leerkracht die het ook niet moest hebben van B1’s ongelofelijke aanleg voor… wel, alles en een vage veeg uit de pan gaf wanneer hij weer eens al eerste een vraag in de klas wist te beantwoorden. “Zeg toch niet telkens wat je denkt,” schreeuwde die toen uit.

Een moment van zwakte. Een gekrengd ego, misschien? Op dat moment was het als bruine suiker voor mijn gemeen hart, maar achteraf gezien best triest. Hier is een jongen die het ook niet altijd even goed weet. Die ook met twijfels en angsten zit. Die misschien wat te veel onder druk gezet wordt door zijn ouders. En wat moet je dan met een uitspraak zoals “zeg toch niet telkens wat je denkt.” Je doet toch gewoon maar je best. Maar zoals ik zei: op dat moment waren het welkome uitspraken die onze jonge koning even van de troon konden halen.

Te midden van dit strijdtoneel zaten we natuurlijk nog met heel wat anderen in de klas. Zelf was ik goed bevriend met D — lang mijn beste vriend, die waarschijnlijk ook ooit aan bod zal komen in het alfabet — die toen echter meer bevriend was met een andere kerel, ook weer tot mijn spijt, ook al doet het er achteraf niet zo veel toe. In het leven van jonge kinderen is vriendschap een harde pasmunt. Feit is echter dat D en zijn buddy er een sport van maakten om nog een andere jongen in onze klas, K, voortdurend te pesten.

Ik ben zelf ook vaak gepest geweest, maar vergeleken met het lot van K denk ik dat ik er al bij al nog vrij goed vanaf ben gekomen. Achteraf beschouwd denk ik dat ik veel van mijn eigen perikelen had kunnen vermijden. Het merendeel lag aan mijn eigenaardigheden en gebrek aan moed om wat terug te vechten, maar bij K lag de zaak nog een heel pak slechter. Lichaamsbouw: klein en zwak, met armpjes die je met een zucht doormidden had kunnen breken. Een lelijk gezicht, en gedragingen die getuigden van een slechte thuissituatie. Arm, waarschijnlijk, want de kleren leken vaak gedragen geweest door een oudere broer. Of een moeder aan de drank. Of een vader met losse handjes. Als kind besef je die dingen niet, maar je voelt ze vaak wel al aan.

Had K van deze lastige situatie een masker kunnen maken, dan ware het zo erg nog niet geweest. Er waren wel andere kinderen in gelijkaardige situaties, maar die hadden al snel geleerd om zelf gemeen, gewelddadig, of als zonderling uit de hoek te komen, zodat anderen hun met rust lieten of zelf een vorm van respect konden betuigen. Niet zo met K. In een drang om er altijd bij te willen horen — compleet met vervelende uitspraken en stemmetje om de muren van op te kruipen — was hij een vogel voor de spreekwoordelijke kat. Vreemd eigenlijk. Hoe meer hij belaagd en gepest werd door D en diens handlangers, des te meer kwam hij tijdens elke speeltijd in de buurt lopen, als ware om nog meer problemen te zoeken. Voor sommigen is eender welke vorm van attentie een geschenk.

Ik vond het toen al zielig, eigenlijk. Ik was wel slim genoeg om mijn mond niet open te trekken en het allemaal maar te laten gebeuren. Het was jij of ik. Zo ging dat. Maar triest was het wel. Persoonlijk heb ik nooit de drang gehad om mee te doen aan het pesten, maar ergens had en heb ik wel spijt dat ik de kerel nooit apart heb genomen en gezegd: waar is je ruggengraat. Laat je niet zo doen. Hopelijk heeft hij nu een goede baan, ergens.

En zo gingen de dagen voorbij. De zomer kwam er weer bijna aan, en het eeuwig durende schooljaar kwam toch bijna ten einde. Op dat moment was de hele speelplaats ingenomen door de nieuwste rage: flippo’s. Plastic schijfjes die in zakjes chips werden gestoken met afbeeldingen van god weet wat. Puur goud was dat voor ons, want tijdens pauzemomenten werden de dingen uitgewisseld, gebruikt als schietschijven in allerlei geïmproviseerde spelletjes, waar je de dingen ook snel kon verliezen en winnen, en druk met elkaar vergeleken.

Op zo’n moment komen de achtergronden van kinderen snel naar boven. Voor S was het alsof hij de keizer van Persia was, met een moeder die niet omkeek naar zowel de consumptie van chips (S was zwaar zwaarlijvig) als een paar franken meer of minder was hij erin geslaagd om op korte tijd een impressionante collectie aan te leggen die elke dag opnieuw een hele groep kinderen wist aan te trekken. Het was alsof zijn leven ervan af hing (want met zwaarlijvigheid alleen maak je weinig vrienden)! Voor B1 en B2 was het een weloverwogen bedoening: zij kregen voldoende flippo’s om “mee te zijn”, doch niet zo veel dat ze het slachtoffer van een gokverslaving zouden worden. Voor anderen zoals S (een andere) was het een uitgelezen kans om de intrinsieke aanleg tot criminaliteit al op jonge leeftijd uit te spelen via het sluiten van louche zaakjes (en een flippo om te wisselen naar twintig). Voor D was het op het eerste gezicht een gelijkaardige situatie als onze zware S, met een moeder die hem overlaadde met de dingen, zij het wel niet vanuit een drang naar populariteit. Het was eerder een statement: ik heb een vracht van de dingen en het kan me niet schelen. Kinderen zijn slim.

Voor mijzelf en K lag de zaak wat moeilijk. Chips, dat kostte geld, en dus kwam K elke dag slechts met een beperkt aantal flippo’s de speelplaats opgelopen. Ook voor mijn ouders was dit een probleem, maar daar kwam in mijn geval nog bij dat ik toen niet echt interesse had in chips noch in meedoen aan populariteitswedstrijden. Ik beschouw het als een van mijn sterke kanten dat ik toen al goed was in het herkennen van idiote hypes en er een complete afkeer voor had.

Eigenlijk was dat bij B1 en B2 ook het geval, doch zij waren slim genoeg om ietwat mee te doen met de rest, al was het maar om niet op te vallen en hun standing niet te verliezen, terwijl ik juist weer wou opvallen via mijn afgunst voor alles wat gewoon was.

Tot ik op een mooie dag tot gegrepen werd door het hele flippo verhaal. Na dagenlang te hebben toegekeken hoe ieder groepje het op de speelplaats het over niets anders had en je aan geen enkel spelletje kon meedoen wanneer je geen flippo’s had moest ik toegeven dat ik toch niet anders kon dan meegaan met de rest. Het was meedoen of compleet vergeten worden. En toegegeven: misschien was het ook een beetje de drang om eens mee te zijn met de “coole jongens.” Een paar dagen lang zaagde ik mijn ouders de oren van de kop om een paar zakjes chips te kopen, en met een bezoek aan de grootouders later kort hierop was ik er toch in geslaagd om een paar van de plastic gedrochten te bemachtigen, waaronder zelfs een paar “extra speciale flippo’s,” zie met uitgeknipte hoekjes in de rand waardoor je ze extra ver kon laten vliegen.

En zo trok ik de week daarop met mijn buit de speelplaats op. Tot ongeloof van vele anderen. “Of ik toch eindelijk wou meespelen,” was de vraag. En dat wou ik wel. Ik was klaar om erbij te horen. Eindelijk populair!

Meer nog: vanuit mijn afgezonderd perspectief had ik de dagen ervoor goed toegekeken hoe de spelletjes eraan toegingen. Iedereen schoot om de beurt een flippo af naar de muur, en degene die het dichtste bij de muur wist te landen mocht de hele boel oprapen en in de schatkist stoppen. Door goed toe te kijken naar technieken, type flippo’s en anderen wist ik vrij goed hoe een rondje te winnen, en voor wie het oppassen was.

En zo ging er een middagpauze snel voorbij. Met angstzweet op de rug sloeg ik erin om een flinke buit te bemachtigen, en had ik mijn tiental flippo’s weten opwaarderen tot een aantal dat ik amper met mijn twee handjes kon vasthouden. Een waar natuurtalent. Ik was verbaasd van mijn eigen kracht!

Maar net zoals in het casino zijn er naast winnaars ook altijd verliezers. B1, bijvoorbeeld, had een flink stel verloren, maar trok het zich niet zo aan: hij had nog flippo’s genoeg, en het was niet alsof zijn bestaan ervan af hing. Zijn ouders hadden immers al genoeg ingepeperd dat het gewoon een spelletje was, hij kon meespelen met anderen, maar er thuis ook weer huiswerk aan het wachten was. Hij had verloren, ik had gewonnen, en hij was zo sportief genoeg om er geen erg aan te besteden. Zo ging dat.

Maar K had ook heel wat verlies te incasseren gehad. Nu heb ik eerder al gezegd dat het hele flippo-gebeuren ook voor K een bijzonderheid was. Ik had al vaak toegekeken hoe hij met man en macht gedurende de week zich moest opwerken van een handvol flippo’s naar een iets hoger aantal, zonder de mogelijkheid om in het geval van een all-in een nieuwe investering te vragen van de ouders. Bovendien was het overduidelijk een manier voor K om “er bij te horen.” Niet alleen was iedereen zo in de ban van de dingen dat het dagelijkse gepest was opgehouden, maar het was zelfs een gelegenheid om zich te bewijzen. De flippo was als een plastic schild voor zijn jonge kinderhart. Hoe meer hij er had, hoe meer respect hij kreeg van anderen.

Maar die dag was het slecht verlopen. Het lag niet aan het feit dat ik voor het eerst meedeed aan het spel, maar het zal ook niet geholpen hebben. Die dag waren de gemoederen hoog gespannen. Er werd veel ingezet, veel verloren, veel gewonnen, en K had zich laten meeslepen in een paar impulsieve gokjes.

En zo, toen de bel was gegaan, stonden we allemaal in de rij. Iedereen nog druk aan het napraten terwijl de juffrouwen orde probeerden te scheppen. Ik aan het pronken met mijn beide handjes vol, met D naast mij in de rij die moest toegeven dat ik het best goed had gedaan. Zeker voor iemand die “toch niets gaf om de dingen?”

Voor mij stond K bedeesd naar zijn oude schoenen te staren. Hij had nog een drietal flippo’s over, die hij stevig vastgreep. Hij zag er echt uit alsof hij zijn beschermende pasmunten was verloren. Morgen zou alles weer bij het oude zijn: geen respect, geen vriendjes, en weer het dagelijkse gepest. Het huilen stond hem nabij. Vele van zijn flippo’s zaten nu in anderen — en mijn — handen.

En toen, als door God gegrepen, wist ik wat te doen. Terwijl de juffrouw haar laatste commando tot stilte aan het schreeuwen was greep ik K zijn handen vast en dropte ik mijn vangst in zijn bleke, magere knoken. Hij pruttelde tegen. Wat was ik aan het doen? “Het is wel goed,” zei ik, “ik hoef de dingen niet, neem jij ze maar.”

Pretentieus was het wel een beetje, maar het is ook de reden waarom mensen geld schenken aan een goed doel. Wat is er mis met je goed te voelen, die paar seconden van zelfingenomenheid dat je — in al je geweldige goedheid — iets of iemand anders hebt geholpen? Het was trouwens best een opoffering, want ik wist dat ik met deze actie de mogelijkheid om er morgen weer bij te horen had opgegeven. Maar het kon me eigenlijk worst wezen. Met mijn dagje aan populariteit en mee te doen had ik het wel gehad, en eigenlijk leek het vooruitzicht om mezelf morgen weer aan dezelfde graad van stress te onderwerpen me best onprettig. En dus: neem ze maar.

Ik had nog nooit iemand’s gezicht zien veranderen van pure droefheid naar intense blijdschap. Noch het ongeloof of de bijstanders hun tronie. Alsof ik gek geworden was.

En toen voelde ik plots een aai over mijn hoofd. Een aai, begot! B1, die achter mij stond, had het hele schouwspel aangezien en kon het bij het zien van al deze goedheid niet laten om deze herrezen Jesus eens aan te raken. Ik ben er wat mee aan het lachen, maar ik was er wel van aangedaan, eigenlijk. “Je bent een geweldig mens,” zei hij me. En dat was het.

Het ging zo snel voorbij, deze vijf seconden van emoties. Was hij misschien zelf stiekem jaloers? Had hij moeten toegeven dat hij, in al zijn perfectie, het nu toch moest afgeven tegenover deze daad van pure goedheid? Of wou hij zijn positie juist herbevestigen door deze goedkeurende schouderklop, als een vader die ziet dat zijn zoon het juiste heeft gedaan?

En was ik wel zo puur? Had ik misschien niet gezien dat B1 achter mij stond en deze daad van liefdadigheid verricht juist om een reactie te ontlokken? Het zou wel kunnen, maar wat dan nog, ook met toeschouwers blijft liefdadigheid een mooi iets, niet. Is dat niet waarom we zo graag leven onder een alziend oog? Omdat het anders niet lukt?

Maar toch denk ik dat het gewoon een puur moment blijft, zo niet was het me niet jarenlang bijgebleven. Niet dat het sindsdien koek en ei werd tussen B1 en mezelf, maar vanaf dat moment was de rivaliteit eerder iets dat erbij hoorde, waarbij de initiële afgunst wat wist weg te ebben.

Er zijn nog een paar momenten met B1 die ik me goed herinner. Het was de kwaadste niet. Een volwassen, rijpe jongen, op jonge leeftijd, met veel talent. Ik vraag me af wat hij nu doet. Muziek, hoop ik, of iets anders artistiek, of anders in de politiek, voor een progressieve partij. Of misschien gewoon een saai kantoorbaantje… wat jammer zou zijn.

En die flippo’s? De dag nadien werd er gewoon weer gespeeld. Zonder mij, maar een paar weken later was die rage ook weer gewoon voorbij.