Het collectieve lijden

door Vulpius

picture(Afbeelding: “A frame of mind” door dechobek, op deviantART.)

Alhoewel we dit jaar mogen genieten van een van de warmste oktobers ooit, voelen we toch dat de winter terug in het land begint te komen. Sommige weerkundigen voorspellen zelfs dat we een erg harde winter tegemoet gaan. (‘Oktober warm en fijn, het zal een strenge winter zijn.’[1])

Tijd dus om de koude tegemoet te treden en de duistere gedachten de vrije loop te laten. Zomer lijkt nog erg ver weg (of al lang voorbij), en ik kom in mijn ‘emotionele winterslaap’ terecht. Ik voel me verlaten, eenzaam, alleen, en koud. Ik zit oude prozatekstjes te lezen die ik opschreef toen ik jonger was. Ik vind ze uiteraard belachelijk kinderlijk en puberaal, maar aangezien ik toen in een gelijkaardige gemoedstoestand verkeerde als nu raken ze me toch. Ik denk terug aan gesprekken en belevenissen die ik voerde of beleefde met vrienden en geliefden: en kom tot het melancholische en o-zo-kitscherige besluit dat het ‘toen toch veel beter was’.

Ook kom ik tot het besef dat veel mensen die ik vroeger kende, mij nu verlaten hebben, of omgekeerd. Dit vaak niet door kwaad opzet, maar het gebeurt nu eenmaal dat mensen met andere dingen bezig zijn, op andere plekken leven, en uit elkaar groeien, zelfs in deze tijd van permanent-aanwezige communicatiemogelijkheden. Ik zou velen onder jullie willen terugzien, jullie naam opzoeken in een telefoonboek of lijst ergens op het internet, en dan een telefoontje willen plegen of een mailtje sturen met de vraag om samen is een koffie te gaan drinken, een taartje te eten, of een wandelingetje te maken in het park.Dat doe ik echter nooit. Ik weet uiteindelijk niet waarmee die mensen zich vandaag de dag mee bezig houden, misschien hebben ze het wel erg druk. Bovendien weet men nooit zeker wat die mensen eigenlijk van jou dachten: misschien zijn ze je liever kwijt dan rijk – want ze hebben ook zelf niets van hun laten horen. Aan de andere kant: misschien denken ze er wel net zo over en durven ze zelf geen contact op te nemen. Het is weer de eeuwigdurende slingerbeweging tussen ‘doen’ en ‘niet-doen’. Die vergelijking is trouwens niet helemaal correct: een slinger beweegt zich tussen twee punten (en komt, met aanwezigheid van zwaartekracht, wrijving, en andere krachten uiteindelijk tot stilstand, hangend in het midden). ‘Doen’ en ‘niet-doen’ zijn geen twee punten tussen welke de slinger beweegt. ‘Niet-doen’ is de slinger die maar wat ligt te hangen. Het klokje is niet opgewonden en men hoort geen getik, geen leven. Het is de makkelijkste oplossing en vereist geen inspanning. Geen energie om de zwaarte- en wrijvingskrachten te overwinnen. ‘Doen’ echter is de kracht die de slinger in beweging zet, die de klok doet tikken, die leven brengt. ‘Doen’ en ‘niet-doen’ is dus geen keuze tussen twee verschillende wegen die we in ons leven kunnen volgen (zoals we ons zo vaak voorliegen, want als ik ‘niet-doe’ hoef ik niet te ‘doen’). Het is de keuze om ofwel te blijven staan op de weg die het leven is, of om verder te stappen (wandelen of lopen, en in een richting die we dan wel degelijk moeten kiezen).Dus merk ik dat ik in allerlei situaties niet in staat ben om initiatief te tonen, ik blijf gewoon een beetje staan op mijn weg, kijk naar alle andere reizigers die mij voorbijsteken, zie af en toe een oude ‘levens-trotter’ de moed opgeven, en heel af en toe zie je zelf iemand die in de verkeerde richting stapt (of al op de terugweg is), in die zin is het soms goed over even te blijven staan en rond te kijken, je kaart bij de hand te nemen en het noorden te zoeken.

Jammer alleen dat het leven je geen kaart geeft. We zijn allemaal jonge cartografen die een maagdelijk wit blad krijgen dat we zelf moeten invullen: met kustlijnen, mooie groene heuvels, plateaus, moeilijk begaanbaar gebergte en dorre toendra.

Maar waar was ik? Achja: melancholie. Het eeuwige pijnlijk zoeken naar lyriek, balans en liefde door de romanticus. Het lijkt bijna ondraaglijk je leven te moeten ‘lijden’ in een onophoudelijke stroom van ‘angst’, zoals de Engelsen het noemen (anxiety). De enige gedachte waarmee we ons stiekem kunnen troosten is het feit dat we eigenlijk wel houden van deze gemoedstoestand. We zijn lekker voor onszelf op zoek naar deze emotie van weemoed. Wanneer het goed gaat proberen we ons snel af te zonderen om weer in onze vochtige, doch veilige donkere put te belanden. Geen enkele gebeurtenis kan dit type mensen (of ‘emos’, zoals ze in de pop-cultuur tegenwoordig zo vaak genoemd worden) er bovenop helpen. Geen enkele kleur is mooi genoeg, geen enkel zwart te donker. En eerlijk gezegd: het is niemand zijn of haar taak om deze mensen er dan ook bovenop te helpen of aandacht te schenken. Laat ons maar idiote gedichtjes schrijven of ons in slaap huilen. Tenslotte hebben we niks om echt over te klagen buiten het feit dat we ons zo graag in een depressieve (en dan niet eens een echte) bui duwen.

Veel mensen worden verslaafd aan een zeer eigenaardig product. Het betreft hier niet alcohol, nicotine, of andere chemische. Ze worden ‘high’ van emoties (eigenlijk is dat wel een chemische verslaving). Sommigen worden verslaafd aan het gevoel ze krijgen wanneer ze verliefd zijn. De eerste spontane gevoelens van verliefdheid gaan echter snel over en ze moeten dus vaak van partner wisselen. Anderen weer worden verslaafd aan het gevoel dat ze krijgen wanneer ze macht uitoefenen, bijvoorbeeld met fysieke kracht. Nog anderen verkeren graag in een toestand van zelfbeklag en pijn. Net zoals conventionele verslavingen verliezen deze endorfines en adrenalines hun effect naarmate men ze meer gebruikt, dus moeten steeds hogere dosissen aangewend worden om het gewenste effect te bereiken. Deze ‘emotionele verslaving’ is grondig onderzocht en ik ga er nu niet verder op in, het kan een onderwerp vormen voor een volgende tekst.

We voelen ons dus allemaal een beetje speciaal, ook al was het maar omdat we het gevoel hebben dat ‘we helemaal niet speciaal en zielig’ zijn. Wat een ironie.

En dan nu het collectieve lijden. Een zielenpoot heeft vandaag de dag kansen genoeg om zijn of haar angst te verkondigen aan de rest van de wereld (of lotgenootjes). Myspace en deviantART zijn er voorbeelden van. Maar wat denkt een zich-speciaal-voelende zielenpoot dan wanneer hij of zij tekstjes of andere kunst (al dan niet kitsch) ziet? Juist, niks is zo erg als te moeten aanzien hoe iemand anders de gedachten en gevoelens waarvan jij dacht dat ze zo uniek en persoonlijk waren heeft kunnen uitdrukken in beelden en woorden die je in vervoering brengen. Een citaat (de bron herinner ik me niet meer, de ouderdom) hieromtrent gaat ongeveer als volgt: “in het werk van een genie vinden we steeds onze eigen verworpen, aan de kant geschoven gedachten terug”, en dat is pijnlijk correct.

En zo lijden we allemaal samen. Een krachtpatser die in een lokale fitnesszaak een beetje gaat trainen moet zien hoe de anderen er al zoveel beter uitzien. Het motiveert hem nog meer zijn best te doen. In de wereld van de ‘emos’, zoals ik ze nu maar noemen zal is dit effect nog erger: men moet aanzien hou anderen er in slagen hun jammerlijke leven toonbaar te maken aan anderen, het motiveert de persoon in kwestie om in een nog diepere put te vallen: enerzijds omdat ze gewoon jaloers zijn. Niet op het feit dat anderen er wel of niet slechter aan toe zijn, maar eerder op het feit dat ze anderen blijkbaar beter de indruk kunnen geven dat het hun slecht gaat. Anderzijds willen ze gewoon een nog krachtiger peil van gevoelens bereiken dat hun in staat zal stellen deze op een meer pakkende wijze toonbaar te maken aan anderen.

Maar als we met z’n allen achter emoties en statussen aanjagen, als we allen zoals robots dezelfde teksten, dezelfde kunst, dezelfde beelden zitten te produceren, welke waarde heeft kunst dan nog? Wordt het dan niet allemaal kitsch? En is dat jammer? Zijn we niet met ons allen op zoek naar vormen van kitsch? Eigenlijk wel. Men kan zich afvragen waarom een foto van een cocktail en heldere gele, rode en blauwe kleuren ons het beeld van vakantie en een strand laat oproepen. Een logisch antwoord is: gewoon omdat die dingen nu eenmaal identificeerbaar zijn met zon, zee en strand. Maar is dit wel altijd zo? Maken we bepaalde beelden omdat we ze identificeren aan een plaats, een emotie? Of is het andersom: zijn we geconditioneerd om bij bepaalde beelden, kleuren, voorwerpen een plaats of gevoelen op te roepen? Het beeld van een kind dat door een groen weiland loopt met een kleedje met rode bloemetjes zal door de meeste mensen pittoresk en schoon bevonden worden, behalve dan door diegenen die als kind een traumatische ervaring hebben opgelopen in groene weilanden (de precieze aard van de ervaring zelf is niet relevant en laat ik nog in het midden). Toon zo iemand hetzelfde beeld en met wat ‘ongeluk’ kan die persoon meteen weer de afdeling psychiatrie in.

Kijk is rond in wat emotionele-getinte fotografie: bijna telkens vinden we dezelfde elementen terug. Twee personen, een persoon. Donkere kleuren, lichte kleuren. Zon, sneeuw. Gesloten ogen, open ogen. Bruine bladeren, bomen in volle bloei. Ze raken ons allemaal op eenzelfde manier, soms zijn de gevoelens die ze oproepen zeer sterk, soms wat minder. Kunnen de technici van morgen een machine bedenken, een programma, dat erin slaagt met de druk op de knop een beeld samen te stellen dat gegarandeerd emotie X of Y laat oproepen? Tot nu toe is dit niet het geval (hoewel er wel zulke pogingen tot het maken van ‘creative’-machines zijn geweest). Hoe komt dat dan, wanneer wij in staat zijn de relevante elementen zo snel uit een beeld te halen?

Het probleem ligt hem volgens mij in het feit dat we te druk bezig zijn met de machine de woorden of elementen aan te leren die we juist herkennen. Dat is niet wat dat ervoor zal zorgen dat er iets moois (lees: iets kitscherigs) zal ontstaan. Wat we wel zouden moeten aanleren aan het programma is dezelfde conditionering zoals wij die hebben gehad. Doorheen onze jeugd, doorheen ons leven. Door onze opvoeding en ons gezelschap, onze omgeving. Via ons bewustzijn. Psychologen spreken zelf van een ‘collectief bewustzijn’, waarom hebben we als kinderen allemaal een panische angst van ratten? Sommige menen dat die angst in ons zit, bijna als een instinct is aangegroeid. Vandaar ook het ‘collectieve lijden’ in mijn titel. Om er echt voor te zorgen dat een emotieloos wezen beelden kan maken die emotiehebbende wezens in vervoering kan brengen moeten we dit wezen ervaring geven. We moeten het dingen laten zien. Om dit te kunnen doen moeten we de machine eerst zintuigen geven. Is het daarom nodig ook de verscheidene emoties te simuleren? Misschien niet, misschien wel. Misschien is het genoeg bepaalde termen zoals ‘vriendschap’, ‘geluk’, ‘pijn’ te binden aan bepaalde beelden en signalen. Misschien gaat het met ons wel net zo. Misschien zijn emoties gewoon een bijproduct van een complex stel hersenen. Maar ook dat zou ons nu te ver brengen, de hele discussie rond bewustzijn, onbewustzijn en voelen is ook voor later.

Geef een machine zintuigen, laat hem dingen zien, breng deze dingen in verband met de juiste termen (dat wil zeggen: zoals wij ze ook ervaren), en je hebt een ‘kunstmaker’ gefabriceerd. Het zou kunnen, misschien ook niet. Misschien is er wel degelijk wat meer voor nodig (elke kunstenaar zal uiteraard zeggen van wel). Want kunst vereist uiteindelijk wel altijd een zekere ‘perfectie’. Het is de vorm van perfectie die je alleen kan opmerken wanneer die afwezig is: het werk is dan niet geslaagd.

Aan de andere kant: wat als kunst inderdaad allemaal nep is? Kunnen we de mens echt zo makkelijk bespelen? Kunnen we iemand van de ene naar de andere emotie laten gaan gewoon door de juiste beelden te tonen? De juiste muziek te spelen? En hoe komt dat dan toch? Zit het er ingebakken van bij de geboorte? Waarom net die beelden? Of is het gewoon een eindeloze herhaling: kunstenaars en schrijvers maken bepaalde werken rond een bepaalde emotie, dankzij onze opvoeding en omgeving leggen onze hersenen al van jongsafaan het verband tussen dat beeld, en die emotie. Als we ouder en zogezegd ‘creatiever’ worden begint de hele cyclus opnieuw en zijn wij het die deze dingen maken. Als het inderdaad telkens dezelfde gedachte is die terugkomt, telkens hetzelfde beeld, dan had het evengoed anders kunnen zijn, dan hadden we een rat de opperste vorm van schoonheid kunnen vinden, dan is elke waarneming van ‘schoonheid’ of ‘lelijkheid’ onwaar, nep, en voorgelogen. Een manipulator moet dan gewoon een ongelooflijke kennis zien te vergaren van deze beelden en ze dan gebruiken naar eigen goeddunken en doeleinden (iets waar marketingmensen en reclamebureaus al aardig goed in slagen, me dunkt).

Is het dan slecht te denken bij het 100ste beeld van een alleenstaande dorre boom te denken: “Hoe idyllisch!”? Neen, zeker niet, dat is immers onvermijdelijk. De beelden zijn er nu eenmaal en we kunnen er niet onderuit. Wat wel belangrijk is om kritisch te blijven en bij elk beeld te beseffen dat het een laffe bespeling is van uw ‘gevoelige snaren’, van uw jarenlange conditionering, van al datgene dat u de 99 vorige keren was ingeprent.

Kom mij dus niet vertellen dat u “smaak heeft” of “een oog voor kunst” hebt. In het beste geval bent u in staat te beseffen dat op uw gemoed wordt ingewerkt, en dat is al een hele prestatie.

Hiermee beëindig ik deze tekst, hij is al veel te lang te langdradig en te onduidelijk. We zitten nog met vele vragen. Wat bijvoorbeeld met eigenaardige stromingen zoals het kubisme? Dat speelt toch niet in op een bepaalde emotie? Als u mijn gedachtegang goed begrepen hebt kan u hier zelf een antwoord op geven: het draait hier gewoon om het gevoel ‘anders’ te willen zijn, om op zoek te gaan naar het speciale. Ook het gevoel alle conventies te vermijden (zowel in de kunst als in het leven) is zelf al een conventie geworden: zelfs originaliteit is niet origineel meer. Alles is gebeurd, alles is gedaan. Kunnen we nog minimalistischer? Nog bombastischer? Het zal een zware opdracht wezen. Gelukkig worden we allemaal geboren zonder herinnering, zonder beelden, we zijn dus in de meest prettige toestand van ons leven: de toestand waarin alles nog nieuw is, alles nog spannend, en niks kan teleurstellen: hoe oud of gebruikelijk het wel kan wezen. Misschien moeten we maar leren om vaker rond te lopen in deze ‘toestand van ontdekking’, helaas kunnen we onszelf niet voorliegen.

De laatste vraag die we ons kunnen stellen is waarom sommigen gevoeliger zijn aan bepaalde kunstbeelden, en andere gewoon een beetje staan kijken met een gedachte van “wel mooi, maar ik voel er niets bij”? Is deze laatste groep beter af? Bezitten ze een vorm van apathie? Ik weet hier helaas geen antwoord op. Menen ze het wel? Voelen ze echt niks of zijn ze gewoon niet in staan hun gevoelens toe te geven of te erkennen, zowel voor zichzelf als/en/of naar de buitenwereld? Maar zoals ik al eerder zei: niet iedereen is ‘verslaafd’ aan dezelfde gevoelens, sommigen mensen hun snaren staan anders ‘gestemd’.

De uitdaging is ieder instrument dat ‘mens’ heet te leren bespelen.

En hiermee stop ik, deze tekst zal u waarschijnlijk weinig geboeid hebben, en ik zou er beter wat meer tijd aan besteed hebben om het geheel wat meer gestructureerd en mooier geformuleerd te maken, maar wat gezegd moest worden is nu gezegd en ik voel er weinig voor het geheel terug te doorlezen. Wanneer u wilt citeren mag u dit altijd doen, maar gezien de warrigheid al het voorgaande vermoed ik dat er wel niet veel geciteerd zal worden. Wanneer u deze tekst heeft gelezen het gevoel hebt alsof u net X minuten van uw leven bent verloren (afhankelijk van hoe snel u (wilt) lezen en interpreteren), dan spijt me dat, ik had u misschien in het begin moeten waarschuwen, maar dan zou u misschien vooroordelen gekregen hebben. Wanneer u echter het gevoel heeft dat u er iets aan gehad hebt, dan ben ik daar blij om.

Tot de volgende keer maar…

[1]: http://www.weer.nl/index.php?id=1177&tx_ttnews%5Byear%5D=2006&tx_ttnews%5Bmonth%5D=10&tx_ttnews%5Btt_news%5D=687&tx_ttnews%5BbackPid%5D=1253&cHash=5561dd4fce

Advertenties