222 woorden

door Vulpius

De telefoon ging over. Ik kon nog steeds ophaken als ik dat wou. En hoewel deze gedachte mij heerlijk in de oren klonk besefte ik dat – wanneer ik dat zou doen – weer helemaal terug bij af zou zijn. Veel tijd om hierover na te denken kreeg ik niet, want ze nam op. “Euhm, hallo… Dat is lang geleden niet?” Ze moest verbazend kort nadenken over wie ik zou kunnen zijn, haar ongeloof was groot. Ze stak meteen van wal met het stellen van allerlei vragen, wat – hoewel ze moeilijk en lastig waren – mij het idee gaf dat niet alles verloren was. “Het spijt me verschrikkelijk, het was stom en belachelijk eigenlijk. Ik weet ook niet precies waarom ik dat toen deed, en kan het zelfs moeilijk uitleggen.” Een enorm gevoel van vermoeidheid en weemoed overviel mij. “Ik zou zeggen: het is al zo moeilijk via de telefoon, maar dan denk je misschien dat ik op slinkse en achterbakse wijze een afspraak probeer te regelen, wat een indruk is die ik niet wil geven…” Ziek legde ik de hoorn terug op de haak, me slechter voelend dan voordien. Ik gaf over in mijn wastafel, liep als een dronkeman af op het raam van mijn flat, en sprong. Terwijl ik viel had ik het heerlijke gevoel dat er veel over mij gesproken zou worden…

Advertenties