De steppewolf

door Vulpius

Onlangs las ik het boek De steppewolf van Hermann Hesse. Het boek behoort tot een van de meest bekende werken van Hesse, samen met Siddhartha. Ook uit dit boek wou ik enkele fragmentjes tonen en wat bedenksels neerschrijven.

Zoals sommigen wel zullen weten was Hesse een aanhanger van het piëtisme, wat er in principe op neerkomt dat hij vond dat het lijden, het geloven niet alleen bestudeerd, maar vooral beleefd moest worden door elke mens. We vinden hier en daar sporen van zijn geloof terug in zijn werken, maar toch domineert dit zeker niet. Het boek is vooral een beschrijven van hoe een mens lijden kan – en vooral lijden wil.

De steppewolf is een mens. Hij noemt zichzelf de steppewolf omdat hij continu in conflict ligt met zichzelf. Zijn dualiteit uit zich aan de ene kant in een persoon die nood heeft aan contact, aan burgerlijkheid, aan praatjes maken en genieten van de kleine dingen. Telkens wanneer hij dit probeert komt echter zijn tweede natuur bovendrijven: de steppewolf die houdt van eenzaamheid en misantropische neigingen heeft. Telkens weer lacht de wolf zijn tanden bloot, lacht hij Harry uit, en dwingt hij hem (zichzelf dus) om zich weer terug te trekken in de eenzaamheid, in het lijden waar hij zo voor vreest maar toch zo van houdt.

Uiteraard denkt hij zoals vele romantici aan de finale oplossing: het scheermes lonkt uitnodigend maar toch kan hij het niet opbrengen het te gebruiken, hoe zeer hij ook zou willen. Hij heeft angst voor de dood, angst om te sterven, en wie weet angst om dit zoete lijden te moeten opgeven. Maar daarover later meer…

In het “voorwoord van de uitgever” komen we al meteen in contact met de literatuur- en kunstkenner die de steppewolf is:

‘Ook dat is goed, zeer goed,’ zei hij, ‘luister eens naar deze zin: ‘Men moest trots zijn op het verdriet – elk verdriet is een herinnering aan onze hoge rang.’ Prachtig! Tachtig jaar voor Nietzsche! Maar dat is niet de spreuk die ik bedoelde – wacht – daar heb ik ze. Dus: ‘De meeste mensen willen niet eerder zwemmen voor zij het kunnen.’ Is dat niet grappig? Natuurlijk willen zij niet zwemmen! Zij zijn immers voor het land geboren en niet voor het water. En natuurlijk willen zij niet denken; zij zijn immers voor het leven geschapen en niet voor het denken! Ja, en wie denkt, wie het denken tot hoofdzaak maakt, die kan het daarin weliswaar ver brengen maar hij heeft toch maar het land met het water verwisseld en eens zal hij verzuipen.’

De uitgever zegt dat hij hem ‘te pakken had’. De uitgever niet alleen. Elke lezer die een beetje denkt, een beetje lijdt, een beetje romantisch ingesteld is of een beetje Nietzsche voelt zich meteen aangetrokken tot de steppewolf. Hij legt namelijk keurig de vinger op de wonde, weet het probleem netjes te beschrijven, en beschrijft ook meteen zijn (onze) eigen ondergang. We zijn gevangen, we lezen verder.

De steppewolf leeft in een armzalig onderkomen bij een of ander vrouwtje. De rest van het huis is zo typisch burgerlijk als men zich kan voorstellen: alles netjes afgestoft, alles netjes op zijn plaats. De steppewolf herinnert zich dezelfde taferelen uit zijn jeugd en vindt het prettig te kijken naar dit soort burgerlijke onderkomens. Toch verzet hij zich ook uit alle macht tegen de moderne manieren van denken:

[…] ik kan niet begrijpen wat de mensen in de overvolle treinen en hotels, in de overvolle cafés bij zwoele opdringerige muziek, in de bars en variétés van de elegante luxesteden zoeken, in de wereldtentoonstellingen, op de corso’s, bij de lezingen voor hongerigen naar ontwikkelingen, op de grote sportvelden – ik kan al die pleziertjes, die ook voor mij te bereiken zouden zijn, en waar duizenden anderen zich voor inspannen en naar verlangen, niet begrijpen, niet delen. En wat mij overkomt in mijn schaarse uren van plezier, wat voor mij een beleving, extase en verheffing is, dat kent en zoekt en bemint de wereld ten hoogste in gedichten, in het werkelijke leven heeft, als die muziek in cafés, die massapret, deze Amerikaanse, met zo weinig tevreden mensen gelijk hebben, dan heb ik ongelijk en dan ben ik gek, dan ben ik werkelijk de steppewolf, zoals ik me dikwijls noemden het in een hem vreemde en onbekende wereld verdwaalde dier dat zijn tehuis, zijn lust en voedsel niet meer vindt.

Tijdens een van zijn daaropvolgende avondwandelingen komt de steppewolf plots een vreemde lichtreclame tegen bij een van zijn favoriete plekjes: “Magisch theater, toegang niet voor iedereen – niet voor iedereen”, “Aleen voor gek-ken!”. Hij beklaagd zich over het feit dat ook deze maagdelijke muur met een vieze lichtreclame besmeurd is. Hij is geïnteresseerd in dit magisch theater maar ook moe en kan verder weinig aandacht schenken aan zijn hallucinatie, want die verdwijnt even snel in de duisternis dan dat ze gekomen was.

Later voelt hij zich eenzaam:

Eenzaamheid betekent onafhankelijkheid, dat had ik altijd gewild en na lange jaren verkregen. Eenzaamheid was koud, o ja, maar ook stil, prachtig stil en groot als de koude stille ruimte waarin de sterren draaien.

Even later gaat hij hierop verder: eenzaamheid is de trots onafhankelijk te zijn van alles en iedereen – dat klopt. Maar tegelijk met die bewustwording groeit ook het besef dat je misschien zo onafhankelijk geworden bent dat allen en iedereen gestopt zijn met naar je om te kijken, dat je er alleen voor staat. Dat je eindelijk eenzaamheid hebt, maar dat het de rest van de wereld niets meer kan schelen. Dan is het wanneer eenzaamheid een tragedie wordt.

Later komt hij een man tegen die een stok ophoudt met daarop “Anarchistisch avondvermaak! Magisch theater! Toegang niet voor…” geschreven. Hij wil deze man aanspreken maar deze ontwijkt hem en duwt hem een dun slecht boekje in de handen: “Traktaat van de steppenwolf. Niet voor iedereen.”, wat hij in een ruk uitleest.

Dit boekje ging ook over een steppewolf, ging over zichzelf, gaf op een pijnlijke en mysterieus correcte wijze weer wat er omging in ons hoofdpersonage, en houdt als het ware een spiegel op. Het beschrijft de dualiteit tussen mens en steppewolf, en later ook de ondergang wanneer Harry beseft dat in al zijn bereikte vrijheid ook een dood ligt: dat hij alleen staat, dat de wereld hem “op een angstwekkende manier met rust liet”. Dat hij zelfs zichzelf niet belangrijk meer vond, dat alles steeds dunner en dunner werd. Het boekje beschrijft ook hoe Harry “een zelfmoordenaar” genoemd kan worden:

Onder de mensen zonder persoonlijkheid, zonder scherpe omlijning, zonder sterk lot, onder de mensen van twaalf in een dozijn en de kuddemensen zijn er sommigen die door zelfmoord omkomen zonder daarom in hun hele signatuur en kenmerken van hun type tot de zelfmoordenaars te behoren, terwijl wederom van degenen die wezenlijk bij de zelfmoordenaars horen, zeer velen, misschien wel de meesten nooit werkelijk de hand aan zich slaan. De ‘zelfmoordenaar’ – en Harry was er een – hoeft niet noodzakelijk in een bijzonder sterke verhouding tot de dood te leven – dit kan men doen zonder ook zelfmoordenaar te zijn. Maar het is een kenmerk van de zelfmoordenaar dat hij zijn ik, onverschillig terecht of ten onrechte, als een bijzonder gevaarlijke, twijfelachtige of riskante kiem van de natuur ervaart, dat hij zich steeds buitengewoon kwetsbaar en in gevaar acht, zo, als stond hij op de allersmalste rotspunt, waar een kleine duw van buiten of een geringe duizeling van binnen voldoende is om hem in een leegte te doen tuimelen. Dit soort mensen is in hun noodlotslijn daardoor gekenmerkt dat de zelfmoord voor hen de waarschijnlijkste manier van sterven is, tenminste in hun eigen voorstelling. Als deze karaktertrek, die bijna altijd al in de vroege jeugd zichtbaar wordt en deze mensen hun leven lang begeleidt, aanwezig is, betekent het nog niet dat wij met een bijzonder zwakke natuur te maken hebben, integendeel, onder de zelfmoordenaars vindt men uitermate taaie, begerenswaardige en ook moedige naturen. Maar zoals er naturen zijn die bij de geringste ongesteldheid al koorts krijgen, zo komen deze naturen, die wij ‘zelfmoordenaars’ noemen en die steeds gevoelig en vatbaar zijn, bij de geringste tegenslag ertoe zich intensief aan de voorstelling van de moord over te geven. Als wij een wetenschap hadden die de moed en de verantwoordingskracht bezat zich met de mens bezig te houden in plaats van met de mechanisch verlopende levensverschijnselen, dan zouden wij iets als een atropologie, als een psychologie bezitten, dan zouden deze feiten aan een ieder bekend zijn.
Wat wij hier over de zelfmoordenaars zeiden, heeft vanzelfsprekend allemaal slechts betrekking op de oppervlakte, het is psychologie, dus een stuk fysica. Metafysisch bekeken ziet de zaak er anders en veel duidelijk uit, want bij zo’n beschouwing blijken de ‘zelfmoordenaars’ door een schuldgevoel van het individu te zijn getroffen, als die zielen, die niet meer door de voltooiing en de vervolmaking van hunzelf als doel erkennen, maar hun oplossing, hun teruggaan naar de moeder, naar God, naar de kosmos. Van deze naturen zijn er zeer veel volkomen ongeschikt de echte zelfmoord te begaan, omdat zijn de zonder daarvan maar al te zeer inzien. Voor ons zijn ze toch de zelfmoordenaars, want zij zien in de dood, niet in het leven, de verlossing, zij zijn bereid zich te verhooien en op te offeren, uit te wissen en naar het begin terug te keren.
Zoals elke kracht ook tot een zwakheid worden kan (zelfs onder omstandigheden worden moet), zo kan omgekeerd de typische zelfmoordenaar uit zijn klaarblijkelijke zwakte dikwijls een kracht en een steun maken, ja hij doet dit buitengewoon vaak. Tot die gevallen behoort ook Harry, […] maar hij bouwde zich juist uit die gedachte een troost en steun op. Evenwel roep in hem elke tegenslag, elk verdriet, elke moeilijke levenservaring, zoals bij alle mensen van zijn soort, direct de wens wakker zich door de dood daaraan te onttrekken. Langzamerhand echter wist hij uit deze neiging juist een leven dienende filosofie te puren. De vertrouwdheid met de gedachte dat die nooduitgang voortdurend openstond, gaf hem de kracht, maakte hem nieuwschierig de pijnen en moeilijke ogenblikken volkomen te ondergaan, en als het hem echt beroerd ging, kon hij soms met grimmige vreugde, een soort leedvermaak zeggen: ‘Ik ben toch nieuwschierig om te zijn hoeveel een mens eigenlijk kan verdragen! Is de grens van wat nog te verdragen is bereikt, dan hoef ik alleen maar de deur te openen en ik ben ervan af.’ Er zijn zeer veel zelfmoordenaars die uit deze gedachte bovenmenselijke krachten kunnen putten.

Een prachtig stukje, en we zijn er nog niet helemaal mee klaar:

Aan de andere kant strijden ook de zelfmoordenaars tegen de verleiding van de zelfmoord. Zij weten allemaal, in een of ander hoekje van hun ziel, heel goed dat zelfmoord weliswaar een uitweg, maar toch slechts een wat gebrekkige en onwettige nooduitgang is, dat het wezenlijk edeler en mooier is, zich door het leven zelf te laten overwinnen en vellen dan door eigen hand. Dit weten, dit slechte geweten, dat uit dezelfde bron voortkomt als het boze geweten van de zogenaamde zelfbevrediger, zorgt ervoor dat de meeste ‘zelfmoordenaars’ in hun voortdurende strijd gewikkeld zijn met hun verleiding.

Verder beschrijft dit traktaat nog even het burgerlijke karakter van de steppewolf. In het kort komt het erop neer dat de sterksten in de kosmische sfeer geraken en zich uit de burgerlijke atmosfeer kunnen stoten. Ze verachten het burgerdom maar horen er toch bij omdat ze in een gematigde prettige zone willen blijven. Maar om intensief te leven is het nodig zich los te werken van het Ik. En de burger schat niets hoger dan het – rudimentair ontwikkelde – Ik. Zo is ook de steppewolf in conflict met de “prettige middenzone” van het burgerdom, en het opgeven van het Ik, het kosmisch worden.

Dan verhaalt het boekje over een ander aspect van het leven: humor.

Uitsluitend de humor […] volbrengt het onmogelijke, omspant om verenigt alle sectoren van het menselijk wezen met de stralen van zijn prisma’s. In de wereld te leven alsof het niet de wereld was, de wetten te eerbiedigen en er toch boven staan, te bezitten “alsof men niet bezet”, iets ontberen alsof er geen ontbering is – al deze geliefde en dikwijls geformuleerde verlangens van een hoge levenswijsheid kan uitsluitend de humor verwezenlijken. En indien de steppewolf, die de gaven en mogelijkheden ertoe bezig, in de zwoele chaos van zijn hel nog zou gelukken deze toverdrank uit te koken, uit te zweten, dan zou hij gered zijn. Nog ontbreekt hem daartoe veel. […] Om dit te bereiken, of om misschien tenslotte toch nog de sprong in het heelal te kunnen wagen, zou zo’n steppewolf eens met zichzelf geconfronteerd moeten worden, hij zou eens diep in de chaos van zijn eigen ziel moeten kunnen blikken en tot het volle bewustzijn van zichzelf komen. Zijn twijfelachtig bestaan zou dan in heel de onherroepelijkheid onthuld worden, en het zou hem voortaan onmogelijk worden steerds weer uit de hel van zijn driften naar sentimenteel-filosofische vertroostingen en uit deze weer naar de blinde roes van zijn wolf-zijn te vluchten. Mens en wolf zouden genoopt zijn elkaar zonder vervalsende gevoelsmaskers te erkennen, elkaar naak in de ogen te zien. Dan zouden zij of tot een uitbarsting komen en voor altijd uiteengaan, zodat er gaan steppenwolf meer zou bestaan, of zij zouden onder het opgaande licht van de humor een verstandelijk huwelijk sluiten. […] Dit alles is de steppewolf zeer goed bekend […] hij weet van het bestaan van de spiegel af, waarin hij zo bitter nodig moet kijken, een kijken waar hij zo dodelijk bang voor is!

Prachtig! De studie eindigt met het oplossen van een principieel misverstand. Dat van ‘de steppewolf’. Dat van het duale karakter van Harry. Deze schijnbare indeling van deze twee tegengestelde wezens is slechts een naïeve manier om zijn wisselende karakter te verklaren. In werkelijkheid is ieder mens opgebouwd uit een hele resem persoonlijkheden, maar meestal ziet die zichzelf dan nog door een vereenvoudigde en leugenachtige bril! “Als lichaam is de mens een geheel, als ziel nooit.” Zelfs in de literatuur en het theater is men verzot op dit karakterdrama, waarin ieder mens slechts een enkele persoonlijkheid, een karakter heeft. Er leidt geen weg terug, het enige wat we kunnen doen is steeds meer wereld te worden – in plaats van onze ziel te vernauwen. Elke geboorte is de scheiding van het Al. Terugkeer in dit Al, opheffing van de “smartelijke individualiteit, God worden” wil zeggen: “zijn ziel zo ruim gemaakt hebben dat die het Al weet te omvatten”! “Dat mensen zich met zulke capaciteiten zich met steppewolven en ‘twee zielig, ach!’ behelpen is even verwonderlijk als treurig.” Stelt u zich een tuin voor, met honderden soorten bloemen en bomen. Wanneer nu de tuinman geen andere onderscheiding kent dan ‘eetbaar’ en ‘onkruid’, dan kan hij met negen tiende van zijn tuin niets beginnen. Hij zal de edelste bomen omhakken en de mooiste bloemen uitrukken! “Zo doet de steppewolf met de duizend bloemen van zijn ziel. Wat niet in de rubriek ‘mens’ of ‘wolf’ past, dat ziet hij niet eens. En wat rekent hij allemaal niet tot ‘mens’!” Al het laffe, aapachtige, al het kleine, rekent hij tot de mens, alleen omdat het hem nog niet gelukt is het meester te worden, schrijft hij het toe aan het wolfachtige.

Als hij al bij de onsterfelijken was, als hij daar al was, want zijn moeilijke weg schijnt dit doel te hebben, wat zou hij dan verwonderd naar dit heen en weer geslingerd worden kijken, naar zijn onzekere zigzak-baan, wat zou hij deze steppewolf opbeuren, berispend, medelijdend, geamuseerd toelachen.

En hiermee eindigt dit boekje. Onze steppewolf heeft nu twee beschrijvingen van zichzelf: aan de ene kant dit objectieve boekje dat hem zo keurig beschrijft maar net-niet-voldoende is, en aan de andere kant een gedicht dat hij een tijd geleden schreef: mistroostig en troosteloos. Deze twee werken bekijken de steppewolf vanuit een ander perspectief: het ene komt van buiten en het andere van binnen. Dit draagt ertoe bij dat hij vreest dat hij weer eens een verschrikkelijk pijnlijke periode zal moeten doorstaan, dat de lucht rondom hem nog ijler zal worden. Hij begint te zoeken naar manieren om hem het leven te ontnemen: kolendamp, een opiummiddel, het scheermes. Al bij al dragen deze gedachten ertoe bij dat hij wat minder voorzichtig is: wat meer opium gebruikt tegen de pijn, wat meer wijn drinkt, de grenzen wat laat vervagen.

Even later komt hij de man tegen die hem destijds het boekje in de hand had geduwd. Hij is zeer blij deze man te zien en vraagt of er geen avondvermaak is die avond. De man antwoord grommig en bromt dat hij voor avondvermaak in De zwarte Adelaar moet zijn. Harry weet niet of dit wel dezelfde man was die hij eerder zag, en weet ook niet waar De zwarte Adelaar ligt. Somber trekt hij verder. Nog later komt hij een oude vriend tegen: een professor waarmee hij in zijn jeugd nog interessante ideeën had gedeeld. De professor herkende hem snel en was door het dolle heen: na al die jaren elkaar terugzien! Harry echter is minder tevreden met de ontmoeting, want achter de burgerlijke mens die Harry is begint de steppewolf al zijn tanden bloot te lachen en hem te honen: waar ben je toch mee bezig? Na aandringen weet de professor hem te overhalen om te komen dineren bij hem thuis. Harry heeft er meteen spijt van maar probeert het toch als een mogelijkheid te zien om zich nog eens als mens te gedragen en onder de mensen te komen.

Dit blijkt echter een enorme teleurstelling te zijn. Harry walgt van de burgerlijkheid, van het typisch-ingerichte huis van de professor. En nog het meest van al walgt hij van een typisch burgerlijk-cliché afbeelding van Goethe. Harry vindt dat deze prachtig lijdende dichter oneer wordt aangedaan met deze idiote afbeelding: die geen mystiek nog magie bezit, die daar ijdel en vriendelijk-sentimenteel geportretteerd staat, de perfecte “salon-Goethe”. Na een tijdje slaagt Harry er niet meer in zich als normaal mens te gedragen en geeft hij scherpe kritiek op het portret van Goethe, op de hele vriendelijk-gespeelde opvoering, over het spreken van ditjes en datjes terwijl staatsmensen druk bezig zijn een nieuwe oorlog te plannen. Als dan ook nog eens blijkt dat dit portret van Goethe gemaakt was door de vrouw van de professor is het voor iedereen een mislukte avond. Harry neemt snel zijn jas (waarvan hij had onthouden waar men ze had gelegd – omdat hij voelde dat hij ze waarschijnlijk zelf zou moeten zoeken) en verdwijnt de avond in. Het was een wegvluchten, een afscheid zonder troost, zonder humor. Woedend loopt hij door de straten, dodelijk bedroefd. Hij is het hele idiote oppervlakkige leven beu en wilt zich bij de onsterfelijken voegen: “Harry, snijdt je de keel af! Je hebt er lang genoeg mee gewacht.”. Toch kan hij niet naar huis – hij vreest zijn donker hol. Hij weet dat – wanneer hij thuis is – hij zichzelf van het leven zal beroven. Hij vreest voor het sterven, hij vreest het niet-leven, hij vreest het niet-lijden. Maar toch moet en zal het gebeuren wanneer hij voor de spiegel staat met het scheermes in de hand.

Zo kwam het dat hij plots in een voor hem onbekend afgelegen deel van de voorstad een cafeetje ziet: De zwarte Adelaar…

Binnen was het erg druk, rook, de geur van wijn, geschreeuw, in de achterste zaal werd gedanst, daar snerpte de dansmuziek. Ik bleef in de voorste afdeling, waar uitsluitend eenvoudige, voor een deel armelijk geklede mensen zaten, terwijl achteraan in de danszaal ook elegante verschijningen te bespeuren waren. Door het gedrang voortgeduwd kwam ik naast het buffet bij een tafeltje, een aardig meisje zat op de bank tegen de muur, in een dunne, laag uitgesneden baljurk, een verwelkte bloem in het haar. Het meisje keek me, toen ze me zag, oplettend en vriendelijk aan, glimlachend schoof zij een beetje opzij om plaats voor mij te maken.
‘Mag ik?’ vroeg ik en ging naast haar zitten.
‘Zeker mag je ,’ zei ze, ‘wie ben je eigenlijk?’
‘Dank u wel,’ zei ik, ‘ik kan onmogelijk naar huis gaan, ik kan het niet, ik kan het niet, ik wil hier blijven, bij u, als u het goed vindt. Nee, ik kan niet naar huis.’
Zij knikte alsof zij mij begreep en terwijl zij knikte bekeek ik de krullen die van haar voorhoofd over haar oor vielen en ik zag dat de verwelkte bloem een camelia was. Ginds schalde de muziek, bij het buffet liepen de diensters haastig de bestellingen af.
‘Blijf maar hier,’ zei ze met een stem die mij goed deed. ‘Waarom kun je dan niet naar huis gaan?’
‘Ik kan niet. Thuis wacht er iets op me – nee, ik kan niet, het is te verschrikkelijk.’
‘Laat het dan maar wachten en blijf hier. Kom, veeg eerst je bril af, je kunt helemaal niets zien. Zo geef je zakdoek maar. Wat zullen wij drinken. Bourgogne?’
Zij maakte de bril voor mij schoon; nu zag ik haar eerst duidelijk, het bleke stevige gezicht met de bloedrood geverfde mond, met de lichtgrijze ogen, met het gladde koele voorhoofd, met de korte springerige krullen bij haar oor. Goedig en een klein beetje spottend ontfermde zij zich over mij, bestelde wijn, klink met mij mee en keek daarbij naar mijn schoenen.
‘Mijn God, waar kom je toch vandaan? Je ziet eruit of je van Parijs bent komen lopen. Zo kom je toch niet op een bal?’
Ik zei ja en nee, lachte een beetje, liet haar praten. Zij beviel mij bijzonder en ik verwonderde mij erover, want zulke jonge meisjes was ik tot dusverre uit de weg gegaan en had ze eerder met wantrouwen bekeken. En zij was precies zo met mij als het op dit ogenblik goed voor me was, o, en zo is zij sedertdien elk uur met mij geweest. Zij behandelde mij zo omzichtig als het nodig was, en zo spottend als goed voor mij was. Zij bestelde een belegd broodje en gebood me te eten. Zij schonk mij in en dwong mij een slok te drinken, maar niet te vlug. Toen prees zij mijn gewilligheid.

Zijn gewilligheid – hij weet precies wat hij nodig heeft en wat goed voor hem is. Iemand die zijn droevige karakter begrijpt maar er net spottend genoeg mee omgaat zodat hij zichzelf niet slingert in een steeds dieper gaande spiraal van ellende. Iemand die hem moederlijk behandelt en hem zegt wat hij moet doen, iemand aan wie hij kan gehoorzamen. En dat beseffen zij allebei. Ook zij heeft nood aan iemand om te bemoederen, om aan te vertellen wat hij moet doen. Ook zij is een steppewolf, een zwerver, in zekere zin. Maar toch op een andere manier, maar daarover lezen wij later mee…

‘Je bent braaf,’ zei ze opbeurend, ‘je maakt het iemand niet moeilijk. Willen we wedden dat het lang geleden is dat iemand je voor het laatste heeft laten gehoorzamen?’
‘Ja, u hebt de weddenschap gewonnen. Hoe wist u dat?’
‘Geen kunst. Gehoorzamen is als eten en drinken – wie het lang heeft moeten missen, die doet niets liever. Nietwaar, je gehoorzaamt me graag?’
‘Heel graag. U weet alles.’
‘Je maakt het iemand gemakkelijk. Misschien, vriend, zou ik je ook kunnen zeggen wat het is dat thuis op je wacht en waar je zo bang voor bent. Maar je weet het immers, daar hoeven wij toch niet over te praten, nietwaar? Flauwekul! Of iemand hangt zich op, nu ja, dan hangt hij zich maar op, hij zal er wel een reden voor hebben. Of hij leeft nog en dan hoeft hij zich alleen maar om het leven te bekommeren. Niets is eenvoudiger.’
‘O,’ riep ik, ‘als het zo eenvoudig was! Ik heb mij, bij God, genoeg om het leven bekommerd en het heeft niet geholpen. Zich ophangen is misschien moeilijk, ik weet het niet. Maar leven is veel, veel moeilijker! God weet hoe moeilijk het is!’
‘Nu, je zult zien dat het kinderlijk gemakkelijk is. Wij zijn al begonnen, je bril is schoon, je hebt gegeten, gedronken. Nu gaan wij je broek en schoenen een beetje afborstelen, want dat mag nu wel gebeuren. En dan gaan we een shimmy dansen.’
‘Nu ziet u,’ riep ik ijverig, ‘dat ik toch gelijk had! Niets doet me meer verdriet dan een bevel van u niet te kunnen opvolgen. Maar dit kan ik niet opvolgen. Ik kan de shimmy niet dansen, en ook geen wals en geen polka en hoe al die dingen ook mogen heten, ik heb nooit in mijn leven leren dansen. Ziet u nu dat toch niet alles zo eenvoudig is als u denkt?’
Het mooie meisje lachte met haar bloedrode loppen en schudde het stevige, jongensachtig gekapte hoofd. Terwijl ik haar aankeek, vond ik dat zij op Rosa Kreisler leek, het eerste meisje waarop ik als jongen verliefd was geworden, maar die had bruin en donker haar gehad. Nee, ik wist niet aan wie dit vreemde meisje mij deed denken, ik wist alleen dat het iets uit mijn zeer vroege jeugd was, uit mijn jongelingsjaren. […]
‘Je hebt een merkwaardige opvatting van het leven! Je hebt dus altijd moeilijke en gecompliceerde dingen gedaan en de eenvoudige heb je helemaal niet geleerd? Geen tijd? Geen zin? Nou, voor mijn part, God zij dank ben ik je moeder niet. Maar dan doen alsof je het leven onderzocht hebt en er niets aan vindt, nee, dat gaat niet!’
‘Maak me maar geen standje!’, vroeg ik. ‘Ik weet het al dat ik gek ben.’
‘Ach wat, mij kun je niets wijsmaken! Je bent helemaal niet gek professor! Je bent me zelfs veel te weinig gek! Je bent op zo’n domme manier wijs, lijkt het me, net als een professor. Kom, neem nog een broodje, daarna kun je verder vertellen.’

Vervolgens praten zij nog wat verder. Zij vraagt hem zijn naam en hij verteld zelfs over zijn treurige ontmoeting met de professor en diens portret van Goethe eerder op de dag.

‘Ik heb je verhaal goed begrepen, Harry. Het is een grappig verhaal. Ik moet erom lachen. Stop, drink niet zo vlug! Bourgogne moet je langzaam drinken, anders word je te verhit. Maar jou moet men alles zeggen, kleine jongen.’
Haar gezicht stond streng en vermanend alsof zijn een gouvernante van zestig jaar was.
‘O ja,’ antwoordde ik tevreden, ‘zegt u mij maar alles.’
‘Wat moet ik je dan allemaal zeggen?’
‘Wat u maar wilt.’
‘Goed, ik zal je eens wat zeggen. Al een uur hoor je dat ik jij tegen je zeg en jij zegt nog steeds u tegen mij. Altijd Latijn en Grieks, altijd zo ingewikkeld mogelijk! Als een meisje jij tegen je zegt en zij je niet afstoot, dan zeg je ook jij tegen haar. Zo, nu heb je weer wat bijgeleerd. En ten tweede: al een half uur weet ik dat je Harry heet. Ik weet het omdat ik het je gevraagd heb. Jij echter wil niet weten hoe ik heet.’
‘O jawel, dat wil ik erg graag weten.’
‘Te laat jongetje! Als wij elkaar weer ontmoeten, kan je het weer vragen. Vandaag zeg ik het niet meer. Zo, en nu wil ik dansen.’

Zij staat op om weg te aan en meteen zakt zijn stemming, hij vreest dat ze weg zou gaan en hem alleen zou laten. Alles zou terug zoals eerst worden. Zij zegt echter dat ze zou terugkomen na een poosje. Ze geeft hem de raad zijn ogen te sluiten en wat te slapen. Hij is er van overtuigd dat het hem niet zal lukken in deze drukke omgeving, maar hij gehoorzaamt en sluit zijn ogen. Voor hij er erg in heeft droomt hij weg.

Hij droomt van Goethe, van Mozart, van Schubert, van zijn helden. Ze fluisteren hem toe: ‘Mijn jongen, je neemt die oude Goethe veel te ernstig. Oude mensen die al gestorven zijn, moet je niet ernstig nemen, je doet hun anders onrecht. Wij onsterfelijken houden niet van ernstig nemen, wij houden van grappen. De ernst, mijn jongen, is een aangelegenheid van de tijd; die onstaat, dat wil ik je verklappen, door overschatting van de tijd. Ook ik heb de waarde van de tijd eens overschat, daarom wilde ik honderd jaar worden. In de eeuwigheid echter, zie je, bestaat geen tijd; de eeuwigheid is een ogenblik, net lang genoeg voor een grap.’

Toen hij wakker werd, was hij de droom vergeten. Pas later kan hij hem herinneren. Zijn meisje is teruggekeerd, maar moet snel weer weg. Ze heeft afgesproken met een heer. Harry jammert dat hij dacht dat zij hem niet alleen zou laten. ‘Dan had jij me daarnet moeten uitnodigen. Er is je iemand voor geweest.’ Maar ze gebied hem haar op te zoeken de volgende dinsdag, in De oude Franciscaan. De hele week voelt hij zich als op wolken drijven en leeft hij toe naar hun volgende ontmoeting. Let wel: over gevoelens van verliefdheid wordt niet gesproken. Het is eerder een overstijgende kosmische vriendschappelijke band. Maar dit zal niet blijven duren. Zij zal hem verliefd maken, zegt ze later, en hij zal haar wens vervullen…

Wanneer hij haar dan eindelijk terugziet is het een prachtige ontmoeting. Ze berispt hem op het feit dat hij haar bevel niet heeft opgevolgd – hij kan immers nog steeds niet dansen. Wil hij haar dan niet meer gehoorzamen? O nee, hij wil niets lievers! Kun je het dansan dan zo snel leren? Zij zegt hem van ja. Maar dan wilt hij toch haar naam weten! Ze verteld hem dat hij haar naam misschien wel kan raden. Ze vraagt hem om is goed te kijken naar haar gezicht. En inderdaad, hij moet haar gelijk geven, het was een jongensgezicht! En toen hij een minuut bleef kijken, begon het gezicht te spreken en herinnert hij zich zijn jongenstijd, en zijn vriend uit die jaren, die Hermann heette. Hij vraagt of ze Hermine heet. Ze knikt stralend, blij dat hij het kon raden. Hermine dus.

Ik vroeg haar: ‘Hoe heb je dat klaargespeeld er plotseling als een jongen uit te zien zodat ik je naam kon raden?’
‘O dat heb je allemaal zelf gedaan. Begrijp je dan niet, geleerde heer: ik beval je en ben belangrijk voor je omdat ik een soort spiegel voor je ben, omdat in mij iets zit wat jou antwoord geeft en je begrijpt. Eigenlijk zouden alle mensen voor elkaar zo’n spiegel moeten zijn en elkaar zo antwoorden en elkaars wensen vervullen, maar zulke zonderlingen als jij zijn juist vreemd en staren zich blind op een betovering, zodat zij in de ogen van andere mensen niets meer zien en kunnen lezen, zodat het hun niets meer aangaat. En als zo’n zonderling dat plotseling toch weer een gezicht vindt dat hem werkelijk aankijkt, waarin hij iets al een antwoord en verwantschap vindt, ja, dan is hij natuurlijk blij.’
‘Je weet alles, Hermine,’ riep ik verbaasd uit. ‘Het is precies zoals jij het zegt. En toch ben je zo totaal anders als ik! Jij bent immers mijn tegendeel; jij hebt alles wat mij ontbreekt.’
‘Dat denk je maar,’ zei ze laconiek, ‘en dat is goed.’
En nu trok er over haar gezicht, dat voor inderdaad als een toverspiegel was, een donkere wolk, van ernst, plotseling sprak uit dit hele gezicht nog slechts ernst, alleen nog tragiek, bodemloos als uit de lege ogen van een masker. Langzaam, woord voor woord als met tegenzin uitsprekend, zei ze:
‘Zeg, vergeet niet wat je tegen me gezegd hebt! Je hebt gezegd dat ik je moest bevelen en dat je het prettig vond te gehoorzamen. Vergeet dat niet! Je moet weten, kleine Harry: zoals het jou met mij vergaat, dat mijn gezicht jou antwoord geeft, dat iets in mij jou aanspreekt en je vertrouwen geef – zo vergaat het met mij ook. Toen ik je onlangs in De zwarte Adelaar zag binnenkomen, zo moe en zo afwezig en al bijna niet meer op deze wereld, toen voelde ik het direct: die zal mij gehoorzamen, die verlangt ernaar dat ik hem commandeer! En dat zal ik ook doen, daarom heb ik je aangesproken en daarom zijn wij vrienden geworden.’
Zij sprak zo vol zware ernst, zo onder hoge druk van de ziel, dat ik niet geheel overtuigd was en probeerde har gerust te stellen en af te leiden. Maar zij verhinderde dat door even haar wenkbrauw op te trekken, keek me strak aan en vervolgde met heel koude stem: ‘Je moet je woord houden, jongen, dat zeg ik je, anders zul je er spijt van hebben. Je zult bevelen van mij krijgen en jij zult die opvolgen, leuke bevelen, aangename bevelen, het zal je een lust zijn te gehoorzamen, En tenslotte zul je ook mijn laatste bevel opvolgen, Harry.’
‘Ik zal het,’ zei ik half zonder het te willen. ‘Wat zal je laatste bevel voor mij zijn?’ Ik vermoedde het echter al, God weet hoe het kwam.
Zij huiverde weer even alsof zij het koud had en scheen uit haar overpeinzingen langzaam te ontwaken. Haar ogen lieten mij niet los. Plotseling werd zij nog duisterder.
‘Het zou verstandig zijn als ik het je niet zei. Ik wil echter niet verstandig zijn, Harry, deze keer niet. Ik wil iets heel anders. Let op, luister! Jij zult het horen, zult weer vergeten, zult erom lachen, zult erom huilen. Let op, jongen! Ik zal met jou om leven en dood spelen, broertje, en ik zal mijn kaarten, nog voor het spel begonnen is, voor je openleggen.’
Wat was haar gezicht mooi, als hemels, toen zij dat zei! […]
‘Je mag me graag,’ vervolgde zij, ‘de redenen heb ik je al gezegd: ik heb je eenzaamheid doorbroken, ik heb je juist voor de poort van de hel opgevangen en weer tot leven gewekt. Maar ik wil meer van je, veel meer. Ik wil je op mij verliefd maken. Nee spreek me niet tegen, laat mij uitpraten! Je mag me graag, dat merk ik, en je bent me dankbaar, maar je bent niet op mij verliefd. Ik wil ervoor zorgen dat je het wordt, dat hoort bij mijn beroep, ik leef er immers van dat ik mannen op mij verliefd kan maken. Maar let goed op, ik doe dat niet omdat ik jou zo verrukkelijk vind. Ik ben niet verliefd op je, Harry, net zomin als jij op mij. Maar ik heb je nodig, zoals jij mij nodig hebt. Jij hebt me nu, op dit ogenblik nodig omdat je wanhopig bent en een duw nodig hebt die je in het water werpt en je weer levend maakt. Je hebt me nodig om dansen te leren, te leren lachen, te leren leven. Ik heb je echter nu niet nodig, maar later, ook voor iets heel belangrijks en moois. Ik zal je, als je op mij verliefd bent geworden, mijn laatste bevel geven, en jij zult het opvolgen en dat zal voor jou en mij genoeg zijn. […] Je zult het niet makkelijk hebben, maar je zult het toen. Je zult mijn bevel opvolgen en je zult mij doden. Dat is het. Vraag niet meer!’

Hij had haar bevel geraden voor ze het uitsprak. Ze verbreekt de spanning en gebied hem te eten – ‘ik geloof dat ik je alles nog moet leren wat bij anderen mensen vanzelf spreekt, zelf de eetlust’. Ze spreken nog wat over zijn boekje, over zijn steppewolf-natuur, over beesten en dieren in het algemeen, en over idealen.

‘Het is veel vlakker, Harry, als je voor iets goeds en idealen vecht en nu denk dat je die ook moet bereiken. Moeten idealen dan vervuld worden? Leven wij dan, wij mensen, om de dood af te schaffen? Nee, wij leven, om hem te vrezen en dan weer lief te hebben, en juist daarom gloeit het leven soms een uur lang zo mooi.’

Hij leert op haar bevel een foxtrot dansen en enkele dagen later gaan ze samen dansen. Harry merkt een mooie meisje op en Hermine gebied hem om contact te zoeken, om haar te dans te vragen, om haar aan te raken. Om te leven. Na het dansen leert hij de saxofonist van het orkestje kennen – Pablo. Het is een goeie vriend van Hermine maar Harry staat er maar terughoudend tegenover. Het leek alsof er tussen hen beiden niks gemeenschappelijks is. Later zelfs discussiëren ze over muziek. Welke muziek is de mooiste, de hoogst verhevene? Degene die Harry navolgt? Die van Mozart en Schuber? Of diegene die Pablo speelt, de muziek van het moment. De muziek die mensen op dat moment blij maakt, laat dansen, hun hart met vreugde vult. Tijdelijke maar vrolijk makende muziek, of onsterfelijke weemoedige symfonieën? Toch verteld Hermine hem later dat Pablo haar had verteld om voorzichtig om te gaan met hem, hij had immers gezegd: ‘Kijk eens naar zijn ogen! Hij kan niet lachen! Arme, arme kerel.’… Hermine en hij praten nog wat na. Hij blijft er zich over verwonderen hou ze zo lijden kan, terwijl ze toch danst en feest en van alle kleine dingen van het leven geniet. Hoe kan ze wanhopen? Ze verteld hem dat hij zich thuisvoelt in grootse en onsterfelijke dingen, en zij zich in de kleinste en innigste, maar dat ze toch allebei kinderen van de duivel zijn en lijden. Hij verteld haar over het stukje uit Het traktaat van de Steppewolf waarin beschreven staat hoe mensen opgebouwd zijn uit vele persoonlijkheden, uit duizend zielen. Dat idee bevalt haar, ze zegt dat bij hem de geestelijke Harry bijzonder goed ontwikkeld is, maar dat hij faalt in alle kleine kundigheden van het leven. De denker Harry is honderd jaar oud, maar de danser pas een halve dag. Daarna vraagt ze hem hoe Maria hem bevallen was, het meisje waar hij mee danste. Even later komt hij tot een belangrijk zelfbesef:

Het traktaat van de steppewolf en Hermine hadden gelijk met hun leer van de duizend zielen, dagelijks vertoonden zich naast al de oude ook nog een paar nieuwe zielen in mij, stelden hun eisen, maakten lawaai, en ik zag nu duidelijk als foto voor mij de waanzin van mijn persoonlijkheid tot dusverre. Die paar geschiktheden en oefeningen waar ik toevallig sterk is was, had ik alleen laten gelden en ik had het portret van een Harry geschilderd en het leven van een Harry geleefd die eigenlijk niets was dan een voorzichtig gevormde specialist voor literatuur, muziek en filosofie – de hele rest van mijn persoon, heel die chaos die overbleef van geschiktheden, driften, verlangens had ik als storend ervaren en met de naam steppewolf bedekt.
[…] Met de voorgaande vernietiging van wat ik vroeger mijn persoonlijkheid had genoemd, begon ik ook te begrijpen waarom ik ondanks alle wanhoop de dood zo ontzettend had moeten vrezen en ik begon te merken, dat ook deze afschuwelijke en smadelijke doodsvrees een stuk van mijn oude burgerlijke en leugenachtige bestaan was.

Even later danst hij weer en heeft hij zijn eerder vermeldde discussie met Pablo, die als volgt eindigt:

‘Ach beste meneer, u heeft helemaal gelijk, ik heb er niets op tegen dat u Mozart of Haydn en de Valencia van ongelijksoortig niveau acht! Dat doet er niet toe, ik beslis niet over het niveau, mijn mening wordt hierover niet gevraagd. Mozart zal misschien nog honderden jaren gespeeld worden en de Valencia misschien al na twee jaar niet meer – ik geloof dat wij dat rustig aan de goede God kunnen overlaten. Hij is rechtvaardig en heeft de levensduur van ons allemaal in de hand, ook die van elke wals en elke foxtrot en Hij zal zeker doen wat het beste is. Wij muzikanten echter, wij moeten het onze doen, dat wat onze plicht en taak is; wij moeten dat spelen wat juist op het ogenblik door de mensen verlangd wordt, en wij moeten het zo goed en mooi en fascinerend als maar mogelijk is, spelen.’
Zuchtend gaf ik het op. Deze kerel was niet te benaderen.

Op dat moment komt Harry in conflict met zichzelf. Continu vechten de oude en nieuwe Harry met elkaar. Soms voelt hij zich gedompeld in de grote stroom van het leven en zwemt hij erin mee, soms weer zwemt hij tegen de stroom op, denkt hij aan het scheermes. Hij leert nieuwe dansen en probeert de bevelen van Hermine te gehoorzamen.
Op een avond komt hij thuis en voelt hij zich weemoedig. Dan vindt hij plots Maria in zijn bed. Hermine heeft dit geregeld en Maria vertelt hem ook dat hij niet vrolijk hoeft te zijn, dat hij verdriet mag hebben. Die avond drinkt hij van haar frisse jeugd, en geniet hij van haar begaafde liefdeskunst die zij bezat. Maria vertelt hem ook van een lied dat Pablo had gespeeld. Haar liefde en bewondering ontroerde Harry. Haar hunkerende openbloeiende blik slaat bressen in zijn opvattingen over de esthetica. ‘Was de heerlijke ontroering van Maria over een Amerikaanse song niet even rein en mooi en boven elke twijfel verheven kunstbelevenis als de geestdrift van de een of andere leraar voor Tristan of de extase van een dirigent bij de Negende van Beethoven? En paste dat niet merkwaardig goed bij de opvattingen van Pablo en kreeg hij daardoor geen gelijk?’

Hij blijft Maria ontmoeten. Hermine wacht rustig af en blijft zeggen dat ze zijn geliefde nog niet is. Het feit Hermine ervoor zorgt dat Harry passie vindt bij Maria mag eigenaardig lijken, toch behoort het allemaal tot het plan van Hermine om Harry in het ‘levenswater’ te duwen. Uiteindelijk zijn Maria en Harry voor het laatst in het liefdesspel verdiept, en moet zijn ziel afscheid nemen van haar. Ze zullen elkaar niet mee zien. Hij heeft geleerd om voor het einde zich nog een keer met het kinderlijke spel van de oppervlakte bezig te houden. Hierna zal hij naar Hermine gaan.

Ook gaat hij nog een keer dansen, op bevel van Hermine. Toch ziet hij haar nergens die avond en voelt hij zich verlaten. Mensen roepen hem na: ‘oude brombeer’. Hij wil naar huis gaan en beseft wel dat Hermine zeer teleurgesteld zou zijn, maar hij kan niet anders. Maar hij verliest zijn ticketje van de garderobe, dat hij toch zo bezeten had vastgehouden! Plots leest hij iets onder de lichtkroon bij de garderobe: ‘Vannacht om vier uur bij het magische theater – alleen voor gekken – Toegang kost het verstand Niet voor iedereen. Hermine is in de hel’. Plots voelt hij zich bezeten als een marionet. Voelt hij de magische sfeer. Hij ontmoet zelfs Maria nog eens. Graag had hij nog eens gedanst met haar. Maar Hermine heeft hem geroepen, ze is in de hel! Dat begreep Maria en ze wenste hem veel succes.

Dan vindt hij toch Hermann. Of liever: Hermine. Ze draagt een speciaal kostuum en hij herinnert zich zijn kindertijd. Waarin liefhebben niet alleen beide geslachten omvatte, maar alles en alles, zindelijk en geestelijk, en alles wat bezield was van liefdesgeluk en bezat de mogelijk tot sprookjesachtige verandering, die slechts het deel is van uitverkorenen en dichters, ook nog in hun latere leven, soms. Ze amuseren zich voor een laatste maal, plots danst hij, zelfs met het meisje dat hem eerder nog een ‘brombeer’ had genoemd, beiden zweven ze en flirten ze en drinken ze. Dan ziet hij Pablo in het orkest met ‘Zo’n lach, zo’n kinderlijk stralende lach, die alleen nog mogelijk is bij heel jonge mensen of volkeren die geen sterke individualisering en differentiatie van de enkeling toestaan.’ Hij verliest elk gevoel van tijd en uiteindelijk staan hij en Hermine alleen in de zaal. Ze vraagt hem of hij bereid is. En dat is hij. Ook Pablo komt binnen en nodigt hem uit tot ‘een klein vermaak. Toegang alleen voor gekken, kost het verstand. Bent u bereid?’, en weer knikt hij.

Maar vooraleer de opvoering kan beginnen geniet ze nog even van enkele sigaretten, en een onbekend bitter drankje, dat enorm opbeurend en stimulerend werkte.  Hij houdt hem een spiegeltje voor en zegt hem: ‘kijk, zo heb je je tot dusver gezien’, Harry kijkt en ziet inderdaad zichzelf, de wolf, en zijn persoonlijkheden. Wanneer ze uitgerust zijn gaat Pablo verder:

‘Mijn theatertje heeft zoveel logedeuren als jullie maar willen, tien of honderd of duizend, en achter elke deur staat jullie te wachten wat jullie juist zoeken. Het is een aardige portrettengalerij, mijn beste vriend, maar het heeft geen zin erdoorheen te gaan zoals je nu bent. Je zou geremd en verblind worden door datgene wat je gewend bent je persoonlijkheid te noemen. Ongetwijfeld heb je al lang geraden dat de overwinning van de tijd, de verlossing van de werkelijkheid en wat je ook voor namen aan je verlangens wilt geven, niets anders betekenen dan de wens, van je zogenaamde persoonlijkheid af te komen. Die is de gevangenis waar je in zit. En als je zo, zoals je bent, het theater zou binnen gaan, dan zou je alles met de ogen van Harry zien, alles door de oude bril van de steppewolf. Je wordt daarom uitgenodigd, die bril af te zetten en je zeer ge-eerde persoonlijkheid in hier in de garderobe achter je te laten.

Hij verzoekt Hermine nog even te wachten, hij wil eerst Harry naar binnen laten. Binnen kunnen ze elkaar weer ontmoeten. Binnen in het theater ziet Harry allemaal deurtjes: “Alle meisjes voor jou!”, “Gezellige jachtpartij” (waar hij binnen gaat en de strijd tegen machines meemaakt, waar hij soldaten ontmoet die uit een moeder geboren zijn en dus schuldig zijn aan het leven en op straat moeten leven), “Mutabor – Verandering in elk gewenst dier of plant”, “Kamasoetra – Les in Indische liefdeskunst”, “Genotvolle zelfmoord – Je lacht je kapot”, “Wilt u vergeestelijken?”, “O had ik maar duizend tongen”, “Ondergang van het avondland”, “Het wezen van de kunst”, “De lachende tranen”, “Kluizenaarsspelletjes – Volwaardige vervanging voor elke gezelschap”, kortom: allemaal wensen en verlangens van mensen. Allemaal voorstellingen die mensen een spiegel geven om in zichzelf te kijken, om hun wensen te bereiken en vooral te begrijpen. Harry gaat uiteindelijk binnen in “Handleiding tot opbouw van de persoonlijkheid – Succes verzekerd”. Daar ontmoet hij een schaakspeler. Hij vergelijkt de figuren op het schaakbord met de zogenaamde persoonlijkheden. Hij houdt hem een spiegel voor en Harry ziet zichzelf uiteenvallen. Heel zijn eenheid van het zijn valt uiteen in vele Ikken. Hij ziet hoe de schaakspeler de stukken rangschikt, verplaatst, bouwt en afbreekt, hij grijp al de figuren in zijn vingers en zet ze in gereedheid voor een spel. Dat, zegt hij, is zijn levenskunt. Ook Harry moet het spel van zijn leven verder vorm geven: ‘Zoals de krankzinnigheid, in een hogere zin, het begin van alle wijsheid is, zo is de schizofrenie het begin van alle kunst, van alle fantasie.’ Harry moet zijn figuren in een zak stoppen, en de persoonlijkheden die hem vandaag zo teisteren kan hij vanaf nu morgen als een onschuldige figuren degraderen. Hij zal zelf de figuren kunnen rangschikken en plaatsen op het spelbord. En daarmee is die voorstelling afgelopen.

De volgende voorstelling heet “Wonderen van een steppewolfdressuur”. En daar ziet hij hoe een mens een steppewolf allerlei kunstjes laat uitvoeren, die man had de wolf fabelachtig weten temmen, iets wat Harry nooit voor mogelijk achtte. Maar even later was het de wolf die de mens liet gehoorzamen. De mens zonk door zijn knieën. De mens gedroeg zich als beest, en gromde zijn tanden bloot. Harry weet niet wat er gaande is en vlucht snel weg nar een andere voorstelling: “Alle meisjes voor jou”. Daar beleeft hij zijn jeugd opnieuw, waar hij een meisje niet durfde aanspreken. Ze waren allebei verlegen en het was nooit iets geworden. Nu kon hij het verleden overdoen en sprak hij haar aan. Zij hield ook van hem en samen liepen ze verder, onzegbaar gelukkig, erg verlegen zonder te weten wat ze moesten doen. Maar tevreden als kinderen. Dit is een prachtige voorstelling die elke verlegen romanticus recht in het hart raakt. Hij voelt zich nu zeer tevreden, en moet slechts nog een voorstelling binnen: “Hoe men door liefde doodt”.

Daar ontmoet hij Mozart, daar verteld hij hem hoe ieder mens schuldig is aan het leven. ‘Het leven is altijd verschrikkelijk. Wij kunnen er niets aan doen en zijn er toch verantwoordelijk voor. Je wordt geboren en je bent al schuldig. U moet een vreemd godsdienstonderwijs gehad hebben, als u dat niet weet.’ En dat klopt. Hiermee ontmoeten we de eeuwenoude gedachte die ook zeer sterk aanwezig is in het christelijk geloof: wij mensen zijn schuldig aan het leven. Maar dan begint Mozart te lachen, verliest heel zijn fatsoen en wordt plots tastbaarder, eenvoudiger, en laat zich niet te serieus nemen. Harry besterft dat met de onsterfelijkheid de eeuwigheid gepaard gaat, en de eeuwigheid is net lang genoeg voor een grap. Weer ontmoet hij zichzelf in de spiegel, maar deze Harry ziet er al heel anders uit, hij spuwt naar zichzelf en loopt verder.

Verder ontmoet hij twee naakte lichamen: Pablo en Hermine. Ze liggen naakt, kil en koud. Daar waar Hermine’s lichaam bedekt is met de liefdeskus van Pablo steekt hij een mes. Haar ogen sloten zich. Het was gedaan. Er loopt bloed over haar tere witte huid. Dan wordt Pablo wakker en dekt als het ware vrolijk Hermine toe zodat de wond niet meer te zien is. Het hele verhaal krijgt een sterk magisch-realistisch karakter. Weer komt Mozart, en hij speelt moderne verfoeilijke muziek. Harry weet niet waar hij het heeft maar Mozart lacht alleen maar, een spookachtig gelach. Hij kijkt met innig plezier naar Harry’s ellende. Hij zegt dat hij moet leren luisteren naar de oerstrijd tussen idee en verschijning, tussen eeuwigheid en tijd, tussen het goddelijke en het menselijke. Net zoals dit ook bij muziek het geval is. Spottend neemt Mozart afscheid:

‘Wat ben je altijd pathetisch! Maar je zult de humor nog leren Harry. Humor is altijd galgehumor, en in het uiterste geval leer je die wel aan de galg. Ben je daartoe bereid? Ja? Goed, dan ga je naar de procureur-generaal, en dan laat je heel dat humorloze apparaat van de mensen van het gerecht over je gaan, tot aan het koele onthoofden in de vroege morgen op de binnenplaats van de gevangenis. Je bent ertoe bereid?’

En dan ziet Harry plots een laatste opschrift: “Terechtstelling van Harry”. En daar wordt hij schuldig bevonden aan het misbruiken van het magisch theater. De straf is: in een keer uitgelachen te worden. Alle aanwezigen beginnen feilloos tegelijk te lachen. Mozart komt weer naast hem zitten en zegt:

‘Je hebt je vonnis gehoord. Je zult er dus aan moeten wennen de radiomuziek van het leven aan te horen. Die zal je goed doen. Je bent ongewoon zwak begaafd, best dom kereltje, maar langzamerhand zul je er toch wel achterkomen zijn wat er van je verwacht wordt. Je moet leren lachen, dat wordt van je verlangd. Je moet de humor van het leven, de galgehumor van dit leven inzien. Maar natuurlijk ben je tot alles in de wereld bereid, alleen niet tot dat wat van je verlangd wordt! Je bent bereid meiskes dood te steken, je bent bereid je plechtig te laten terechtstellen, je zou stellig ook bereid zijn honderd jaar lang jezelf te kastijden en te geselen. Of niet?’
‘O ja, van ganser harte bereid,’ riep ik in mijn jammerlijke toestand.
‘Natuurlijk! Voor elke domme en humorloze praktijk ben je te vinden, jij mens met brede opvattingen, voor alles wat pathetisch en zouteloos is! Nu, ik ben er echter niet voor te vinden, ik geef geen cent voor heel je romantische boetedoening. Je wilt terechtgesteld worden, je wilt je hoofd laten afhakken, berserker! Voor dat stomme ideaal zou je nog tien moorden begaan. Duivels nog aan toe, maar je zult juist leven! Er zou je geen recht gedaan zijn als je tot de zwaarste straf veroordeeld was.’
‘O, en wat voor straf zou dat zijn?’
‘Wij kunnen bijvoorbeeld het meiske weer levend maken en je met haar laten trouwen.’
‘Nee, daartoe zou ik niet bereid zijn. Er zou een ongeluk gebeuren.
‘Alsof er al niet genoeg ongelukken door jou zijn aangericht! Wees toch eens eindelijk verstandig! Je moet leven en je moet leren lachen. Je moet die vervloekte radiomuziek van het leven aanhoren, je moet de geest die erachter zit leren vereren, je moet om de onzin leren lachen. Klaar, meer wordt er niet van je verlangd.’
Zacht, van achter mijn opeengeklemde tanden vroeg ik: ‘En als ik weiger? En als ik u, meneer Mozart, het recht ontzeg over de steppewolf te beschikken en in zijn lot in te grijpen?’
‘Dan,’ zei Mozart rustig, ‘zou ik je voorstellen nog een van mijn aardige sigaretten te roken.’

En daarmee verandert Mozart in Pablo. Waar is hij? In Pablo’s magische theater. Harry heeft Pablo een beetje teleurgesteld. Hij heeft zich erg laten gaan, de humor van het kleine theater doorbroken en een troep gemaakt. Hij heeft met messen gestoken en onze aardige portrettenwereld met vlekken van de werkelijkheid bedoezeld. Hopelijk heeft hij eruit geleerd.

‘Ik hoop dat je het tenminste uit jaloersheid gedaan hebt, toen jij mij en Hermine daar zag liggen. Met deze figuur kon je helaas niet omgaan – ik dacht dat je het spel beter had geleerd. Nu, wij kunnen het corrigeren.’
Hij nam Hermine, die in zijn vingers weldra ineenschrompelde tot een speelstukje, en hij stak haar terloops in haar vestzakje waaruit hij daarnet zijn sigaret had genomen.
Aangenaam geurde de zoete zware rook, ik voelde mij uitgeput en bereid een jaar lang te slapen.
O, ik begreep alles, begreep Pablo, begreep Mozart, hoorde ergens achter mij zijn vreselijke gelach, wist al die honderdduizenden figuren van het levensspel in mijn zak, vermoedde ontroerd de zin, was bereid het spel nogmaals te beginnen, de pijnen nog eens te ondergaan, nog eens voor de onzin te huiveren, de hel van mijn innerlijk nogmaals en nog dikwijls te doorkruisen.
Eens zou ik het spel met de figuurtjes beter spelen, eens zou ik het lachen leren. Pablo wachtte op mij. Mozart wachtte op mij.

Met deze knappe gedachte eindigt het boek dan ook. We kunnen hier weinig aan toe voegen.

Uiteindelijk volgt nog een nawoord van de schrijver. Waarin hij zegt dat literatuur verkeerd begrepen kan worden en dit boek het boek is dat nog het hevigst wordt misverstaan. Hij vindt het ook raar dat het boek in handen valt van jonge lezers en daar ook de sterkste reacties van krijgt. Hij zegt dat dit boek inderdaad het lijden en noden verhaalt, maar niet van een wanhopige, maar van een gelovige. En dat is een belangrijke les! Hij gaat verder met te stellen dat hij zijn lezers niet mag voorschrijven hoe zij het verhaal opvatten en begrijpen. ‘Moge een ieder eruit halen wat beantwoordt aan zijn opvattingen en hem van nut is.’ Toch zou hij graag zien dat velen zouden merken dat de geschiedenis van de steppewolf ‘wel een ziekte en een crisis verbeeldt, maar niet een die naar de dood leidt, niet een ondergang, maar het tegendeel: een genezing.’

Uiteraard is dit maar een kort stukje tekst en kunnen we zeker niet ingaan op alle details (zowel stijl als psychologische als inhoudelijke). Om dat te weten zijn er vele analyses en papers verschenen waarvan sommigen ook via het Internet aanspreekbaar zijn.

Toch is dit een boek waar ook ik persoonlijk zeer veel aan gehad heb en nog steeds heb. Moge het inderdaad voor lezers met soortgelijke gedachten een genezing zijn. Ik raad het iedereen die te vinden is voor dit soort problemen, vragen, twijfels en literatuur zeker aan!

Advertenties