Welkom terug

door Vulpius

Wie geboren wil worden, moet een wereld vernietigen.
— Hermann Hesse

Het is weer een hele tijd geleden dat ik hier iets heb geschreven. Wanneer het wat beter gaat heeft natuurlijk niemand zin om te klagen. En dat gaat het ook. De dagen beginnen terug langer te worden en oude problemen en zorgen zijn achter ons gelaten. En daar dragen we de vruchten van. Eenmaal we onszelf leren kennen en onze zorgen afwerpen beginnen mensen terug in je voetstappen te lopen, en geniet je met volle teugen.

Wat heb ik verder nog gedaan? Druk gehad, nog meer boeken gelezen van Hermann Hesse (Siddharta en Demian), oude goden en verhalen bestudeerd, en een hele hoop dingen aan mijn lijstje toegevoegd waarover ik nog moet leren en lezen. En natuurlijk wel nog steeds over allerlei zaken gepeinsd tussendoor, waarover ik het later nog vast wel eens zal hebben.

Deze periode van rustig en onverschillig leven en gedragen zal niet blijven duren – dat weet ik nu al zeker. Sommige zielen zijn nu eenmaal voorbestemd om steeds zoekend te zijn. Maar het is fijn van tijd tot tijd rust te kennen. Wel heb ik mij het volgende bedacht. In periodes van deze innerlijke rust en – het moet gezegd – uiterlijke oppervlakkigheid krijg ik van mensen wel eens te horen hoe gek ze het toch vinden dat ik zo “door het leven ga zonder over dingen te piekeren of over vele zaken na te denken”. Uiteraard zijn dit mensen die me nog niet goed of lang kennen. Dit is logisch, want wanneer je jezelf minder eisend opstelt gaan mensen je ook sneller benaderen. Wanneer de relatie vordert gaan ze dus echter bepaalde dingen in vraag stellen, zoals bijvoorbeeld het feit dat je zo oppervlakkig lijkt.

Geen wonder dat ik dit soort opmerkingen enorm storend en irritant vind. Hoe vaak ik ze ook hoor. Ook erger me ik aan diezelfde mensen die over bepaalde dingen spreken en proberen denken niet alsof ze de wijsheid in pacht hebben, maar alsof ze hun uiterste best doen om de wijsheid in pacht te krijgen. Terwijl het eigenlijke onderwerp van hun zorgen of vragen iets irrelevant is. Maar daarvoor heb ik geleerd begrip op te brengen, ik kan best begrijpen dat ze dat zelf belangrijk vinden in hun leven, maar toch… Aan de andere kant vinden ze mijn zorgen misschien ook wel belachelijk.

Maar ik ga verder: iets waar ik dan wel helemaal niet tegen kan – zoals ik al zei – is het feit dat die mensen mijn gedrag of gevoelens proberen te onderzoeken en te beoordelen. Ik walg daarvan. Ik weet op dat ogenblik – net zoals ik nu weet – dat ik ooit terug in een situatie kom waarbij het slechter gaat met mezelf, ik alles in vraag stel en ik pieker over wereldoude vragen. Wat moet een mens dan doen? Moet men zich dan al teneergeslagen voelen, juist om te bewijzen dat men meer diepgang bezit dan anderen dachten? Of moet men afwachten, het spel blijven verder spelen, wetende dat de situatie ooit wel anders zal zijn?

Ik verkies het laatste, ook al laat ik me verschrikkelijk storen door die opmerkingen. Eigenlijk kan ik ze niets kwalijk nemen: op dat moment dat ze me kennen gedraag ik me ook daadwerkelijk zo. Meestal antwoord ik dan met een kort: “dat is ooit anders geweest”. Dat heeft twee voordelen, enerzijds troost ik mezelf, anderzijds creëer ik een mysterieuze sfeer rond mezelf waar de meesten dan wel wat nieuwsgierig door raken, en dat vind ik heerlijk (ik ken mijn zwaktes).

Waarom vertel ik dit alles? Natuurlijk omdat ik eens wil zeggen hoe het zit, maar ook omdat ik een punt wil maken… Het mooiste komt nog.
Want wat blijkt namelijk wanneer je terug in een ‘duistere periode’ terecht komt? Wat blijkt wanneer je anderen hun mening vraagt rondom bepaalde vragen, filosofieën of simpelweg problemen? Dat gewoonweg niet in staat zijn te begrijpen waar je het over hebt, wat verschrikkelijk begrijpelijk en vreselijk is tegelijk, want dan gaan ze snel door naar een ander onderwerp (meestal een van hun eigen probleempjes). Tot daar toe kan ik het nog wel verdragen, maar het feit dat ze dan over die zaken spreken alsof ze o-zo belangrijk zijn, dat maakt me kapot. Een andere mogelijkheid is dat ze je begrijpen (dan ben ik al heel blij), of proberen begrijpen, maar niet in staat zijn antwoord te geven, of veel erger: te willen geven. Mensen gaan je dan raar vinden en gaan zich afzonderen. En dan tenslotte heb je de mensen die je lijken te begrijpen, en zelf lijden. Maar natuurlijk is niet ieder lijden van ieder mens hetzelfde, en zijn de mogelijkheden om elkaar te helpen beperkt.

Toch kan het heel goed zijn bepaalde gedachten te kunnen delen met anderen en omgekeerd. Gedeelde smart is immers halve smart. Maar ik moet met spijt vertellen dat het lang geleden is dat ik nog zo iemand gekend heb, misschien stel ik er me ook niet meer voor open, dat weet ik niet.

Wat ik me tenslotte afvraag is wat een lijder moet denken als hij of zij mij nu ziet, als een onverschillige, een oppervlakkige. Zou hij bij zichzelf denken: “Misschien heeft hij ook ooit geleden?”, of zou hij walgen. En wat doe ik zelf? Ik walg dan immers toch ook van alles en iedereen? En wat als je toch een lijder ontmoet, zeg je dan: “Ik weet wat je doormaakt, maar je moet volhouden en je zal weer rust kennen, net als ik. Helaas weet ik niet voor hoe lang. Maar onze soort moet nu eenmaal lijden, ja, zoekt zelfs heil in het lijden.”, of zeg je iets anders.

En tenslotte stel ik de vraag aan mezelf: wat als ik als lijder een oppervlakkige ontmoet… kan ik dan wel, wil ik dan wel begrijpen dat de mogelijkheid bestaat dat hij of zij ook ooit pijn had, misschien terug pijn zal hebben? Dat is een moeilijke vraag, en ik vrees dat het antwoord daarop negatief is, maar kan men daar iets aan doen? En wanneer we daarover even nadenken beseffen we, vrezen we misschien zelfs, dat iedereen wel eens heeft geleden, en dat iedereen wel terug zal lijden.

Toch voelen we dat, wanneer we gepijnigd worden, dat onze pijn dieper gaat dan al de voorgaande die de wereld ooit heeft gevoeld, en – op dat moment – dan al hetgene dat er nog mogelijk kan achter volgen.

Advertenties