Man zonder land – Kurt Vonnegut

door Vulpius

Er zijn weinig dingen waarvan ik zo kan genieten als een lekker lang, warm bad. Al van kinds af aan ben ik dol op baden. Ik gebruik mijn tijd in bad dan ook vaak nuttig: vroeger maakte ik daar vaak mijn huiswerk, nu lees ik een goed boek of schrijf ik een tekst. En blijkbaar ben ik niet de enige, ik heb gelezen dat Alan Greenspan zijn speeches in bad zou schrijven.

Maar ik wil het hier niet verder over baden hebben maar wel over het boek dat ik daar laatst las: Man zonder land van Kurt Vonnegut. Je weet wel, de schrijver van Slachthuis vijf. Het is een van zijn donkere-humor-boeken. Fijn, dacht ik, ik wil wel eens lachen met een leuk boek. Maar wat ik las was niet alleen leuk, maar ook een enorm goed geschetst wereldbeeld.

Elk hoofdstuk wordt voorafgegaan door een leuke uitspraak, waarvan ik er toch enkele het vermelden waard vond. Bijvoorbeeld de eerste:

There is no reasen good can’t triumph over evil, if only angels will get organized along the lines of the mafia.

Of wat te denken van de volgende:

I wanted all things to seem to make some sense, so we could all be happy, yes, instead of tense. And I made up lies, so they all fit nice, and I made this sad world a paradise.

Maar ook het boek zelf leest als een trein. Waar gaat het over? Over alles en niets eigenlijk. De schrijver begint met een soort analyse van humor.

Humor is een fysiologische reactie op angst. Freud heeft gezegd dat humor een reactie op frustratie is — een van de vele. […] En lachen is dikwijls een uiting van angst. […] Ook de simpelste grappen berusten op minuscule angstscheutjes, zoals de vraag: ‘Wat is het witte spul in vogelpoep?’ De aangesprokene is, alsof hij op school wordt overhoord, een ogenblik bang om iets doms te zeggen. En als hij het antwoord hoort, dat luidt: ‘Ook vogelpoep.’, verdrijft hij die automatische angst met een lach. Hij is toch niet op de proef gesteld.

Mooi gezegd denk ik dan. Ergens heeft hij (en Freud) zeker een punt, op naar het volgende hoofdstuk, waar we lezen over oorlog – Vonnegut heeft natuurlijk het bombardement op Dresden meegemaakt, grote figuren, socialisten en kunst. Wist u trouwens dat ‘Hitlers swastika geen heidens symbool is maar het christelijke kruis van de werkende klasse, gemaakt van bijlen, van werktuigen’. Ik weet niet of het waar is maar ik wist het ook niet.

Het volgende hoofdstuk over creatief schrijven begint meteen heerlijk:

Regel een: gebruik geen puntkomma’s. Het zijn hermafrodiete travestieten zonder enige betekenis. Het enige wat je ermee doet is laten zien dat je het gestudeerd. En ik bedenk met nu dat er lezers zijn die niet weten of ik meen wat ik zeg of maar een grapje maak. Dus zal ik voortaan waarschuwen als ik maar een grapje maak. […] We verwachten elk moment een aanval Al-Qaida. Heb je een vlag, zwaai er dan mee. Daar schijnen ze voor op de loop te gaan. Grapje. Als je je ouders echt het leven zuur wilt maken en je hebt niet het lef om homo te zijn, dan kun je het best iets in de kunst gaan doen. En dat is geen grapje. De kunst is geen middel van bestaan. Het is een heel menselijke manier om het leven draaglijker te maken.

Vonnegut beschrijft dan de verhalen ‘man in put’, ‘jongen ontmoet meisje’, ‘Assepoester’, ‘Kafka’ en ‘Hamlet’, compleet met grafiek. Ik ga het hier niet overnemen, daarvoor moet je het boek echt zelf eens lezen.

In het volgende hoofdstuk vertelt de auteur dat hij een schadeclaim gaat instellen tegen de sigarettenfabrikanten. Al vanaf zijn twaalfde rookt hij en hij is nu tweeëntachtig en nog steeds in leven, ondanks de beloftes op de verpakking. Wauw. Tweeëntachtig. Helaas is de arme man gestorven in April 2007. Een treurig verlies.

Hoofdstuk vijf is leuk, het gaat namelijk over vrouwen.

Freud zei dat hij niet wist wat vrouwen wilden. Ik weet wat vrouwen willen: een massa mensen om mee te praten. Waarover willen ze praten? Over alles.
Wat willen mannen? Ze willen graag veel vrienden ze zouden willen dat de mensen niet zo kwaad op hen werden.
Waardoor stranden er tegenwoordig zoveel huwelijken? Doordat de meesten van ons niet meer in grote familie-verbanden leven. Vroeger was het zo dat als een man en een vrouw trouwden, de bruid veel meer mensen had met wie ze over van alles kon praten. En de bruidegom kon zijn onnozele grappen aan veel meer vrienden kwijt.

In hoofdstuk zes leren we dat de eerste roman die op een typemachine is geschreven Huckleberry Finn is. Ik ben dol op dit soort weetjes.

[…] Dus moet ze wel vragen: ‘Waar ga je heen?’ En dan zeg ik: ‘Ik ga even een envelop kopen.’ Waarop zij zegt: ‘Zeg, je bent toch niet arm, waarom koop je geen duizend enveloppen tegelijk? Die bezorgen ze thuis en dan stop je ze in een kast.’ En dan zeg ik: ‘Stil.’
Ik daal de trap af van mijn huis in 48th Street tussen Second en Third Avenue in New York City en ik loop naar de kiosk aan de overkant, waar ze tijdschriften, loten en kantoorbehoeften verkopen. Ik weet precies wat ze hebben en koop een envelop, een manilla envelop. Het lijkt wel of degene die de envelop gemaakt heeft, wist welk papierformaat ik gebruik. Ik ga in de rijs staan, want er zijn mensen die lootjes kopen of snoep, dat soort dingen, en ik knoop een praatje met ze aan. Ik zeg: ‘Kennen jullie iemand die wel eens iets in de loterij heeft gewonnen?’ En: ‘Wat heb je aan je voet?’ Ten slotte ben ik aan de beurt. De mensen die het winkeltje drijven, zijn hindoes. De vrouw achter de toonbank draagt een sieraad tussen haar ogen. Is dat geen stukje lopen waard? Ik vraag haar: ‘Heeft iemand hier de laatste tijd nog wat gewonnen?’ Daarna betaal ik de envelop. Ik pak mijn manuscript en stop het erin. Aan de envelop zitten twee metalen lipjes die door een gaatje in de flap gestoken moeten worden. […] Ik ga naar huis. En ik heb me kostelijk geamuseerd.

Hij gaat zo nog even door. Heerlijk deze beschrijving die we best wel existentialistisch kunnen noemen!

Elektronische gemeenschappen bouwen niets op. Je blijft met lege handen achter. Wij zijn dansdieren. Wat is het heerlijk om op te staan en naar buiten te gaan en iets te doen. We zijn op de wereld om te keutelen. En laat niemand iets anders beweren.

Nog wat warm water erbij…

Het volgende hoofdstuk gaat over de zin van het leven, oud worden, en muziek. Maar ook over het feit dat de aarde er slecht aan toe is, en ook over de moderne oorlogen. ‘Denkt u dat de Arabieren dom zijn? Probeer maar eens een staartdeling te maken met Romeinse cijfers.’

Vervolgens praat hij over humanisten (vrijdenkers).

Ik ben trouwens erevoorzitter van de American Humanist Association, een volstrekt functieloze hoedanigheid waarin ik wijlen de grote sciencefictionschrijver Isaac Asimov [trouwens ook een idool van me] ben opgevolgd. Een paar jaar geleden hielden we een herdenkingsplechtigheid voor Isaac Asimov waarbij ik het woord voerde, en op een gegeven moment zei ik: ‘Isaac is nu in de hemel’. Het was het grappigste wat ik tegen een gehoor van humanisten had kunnen zeggen. Ze rolden van hun stoelen.

Verder praat hij over socialisme en brieven die hij ontving (met antwoorden).

In de laatste pagina’s verteld hij over de wijste man die hij ooit heeft ontmoet: Saul Steinberg.

Ik vroeg hem: ‘Saul, wat moet ik denken van Picasso?’
Er verstreken zes seconden en toen zei hij: ‘God heeft hem op aarde gezet om ons te laten zien hoe het is om echt rijk te zijn.’
Ik zei: ‘Saul, ik ben romanschrijver en onder mijn vrienden tel ik veel romanschrijvers, en goede ook, maar als ik met ze praat heb ik steeds het gevoel dat we in twee verschillende bedrijfstakken werkzaam zijn. Hoe verklaar je dat?’
Er verstreken weer zes seconden en toen antwoordde hij: ‘Het is heel eenvoudig. Er zijn twee soorten kunstenaars, die beslist in niet voor elkaar onderdoen. Maar de ene soort reageert op de geschiedenis van zijn of haar kunst tot dusver en de andere reageert op het leven zelf.’
Ik zei: ‘Saul, ben jij begaafd?’
Er gingen zes seconden voorbij, en toen gromde hij: ‘Nee, maar wat je in elk kunstwerk aanspreekt is het gevecht van de kunstenaar tegen zijn of haar beperkingen.’

Zeer mooi gezegd toch? Daarmee is het boek uit. En ik uit bad. 131 pagina’s, is het al zo laat? Ik kan je enkel aanraden om dit boek ook eens te lezen. Het is een zeer vermakelijk tussendoortje waar je ook veel van kan opsteken. Ik ga ook zijn andere boeken nog lezen.

Met Vonnegut zijn we weer een briljant schrijver verloren.

Tot volgende keer.

Advertenties