We hebben het nog (een beetje)

door Vulpius

Dingen kunnen raar lopen in het leven. Door de huidige stand van zaken heb ik niet meer (genoeg) het soort melancholie kunnen vinden of bemerken dat mij er normaal gezien toe aanzet om – zo ergens rond twee uur ’s nachts – iets neer te pennen op deze blog.

De laatste tijd ben ik immers verdiept in allerlei andere zaken, voornamelijk werk. Het is algemeen geweten dat ik mijn werk erg serieus neem (eenmaal ik voor mezelf heb uitgemaakt dat het daadwerkelijk iets is om serieus te nemen natuurlijk, anders lukt het niet), en dus heb ik wel te kampen gehad met dat andere wijdverbreide modern probleem: stress. Hoofdpijn, rugpijn, maagpijn – op sommige dagen ben ik amper aan te spreken of ik ontplof haast. Maar goed dat hoort erbij; onderdrukken en verdergaan zeg ik altijd. Uiteindelijk kun je genieten van de schitterende resultaten die je hebt verwezenlijkt.

Maar dat terzijde, of even als excuus waarom ik de laatste tijd weinig van mezelf heb laten horen.

Uit schuldgevoel (en de lange lijst van boeken die ik nog wil bespreken) ben ik is even gaan kijken naar een samenvatting. Bijvoorbeeld voor De val van Camus. Boekverslagen noemen de studenten dat. Maar dan:

1. Ik vond dat hij heel moeilijk taalgebruik had. Vaak lange en moeilijke zinnen. Hierdoor werd het boekje heel moeilijk, waardoor ik het vervelend vond om verder te lezen. Door de manier van vertellen vooral vond ik het niet echt geslaagd.

En ik ben zeker dat de literatuurliefhebbers het hier volledig mee eens zijn – ahum, als dit maar niet het niveau van onze scholen is. Hoewel, ik ben er vrij zeker van dat dit niet het geval is, maar het Internet zorgt nu eenmaal voor dit soort kladwerk.

Dan lees ik toch nog liever zelf eens het boek opnieuw om het alsnog zelf te bespreken ook. Maar dat is dus voor later, want het werk zal nog wel even aanhouden (vermoed ik).

Bah, en dan zijn alle deprimerende mensen bijna uit je leven, komt er plots eentje met meer kracht dan ooi tevoren binnenvallen om je trots (!) te vertellen dat het gesprek met de psycholoog zo enig heerlijk zalig inkijk gaf. Als er één punt is waarop ik pushy ben… Zucht. Ik weet het: ik heb het eerder al zo vaak besproken: mensen hebben geen problemen om op te scheppen over hun problemen. Ik wel. Ergens wil ik ook opscheppen. Ik ben jaloers. En dus verbitterd. Tot daar allemaal nog aan toe, maar dan de aard van die personen om op te scheppen en tegelijkertijd ook niet te veel te willen zeggen omdat ze nu eenmaal zo speciaal zijn dat je er toch niets van zou begrijpen, man daar kan ik gek van worden.

Het is niet dat je het van mij niet mag hebben over je problemen, vragen of twijfels (opkroppen is voor mij zeker geen noodzaak – integendeel), maar handel alstublieft niet vanuit een “ik heb het erger dan jij”-gevoel. Het lijkt erop dat, om het respect van anderen te krijgen, we tegenwoordig hoe vaker hoe liever zoveel mogelijk negativiteit door het strot van anderen moeten duwen.

Ik heb het al gezegd: ofwel vertel je over je gevoelens, maar dan van persoon tot persoon: oprecht en open en niet als een soort van zelfprofilering. En met een stille erkenning dat ik meer empathie voor de situatie zou kunnen tonen als je zelf zou kunnen hopen of verwachten, want ervan uit gaan dat de andere niet in staat zal zijn om empathisch te handelen is al een pijnlijk, vals en discriminerend vooroordeel. Ofwel wil ik het gewoon niet horen. Maar ik zal luisteren omdat ik zo een aardig iemand ben om dan een postje te schrijven op een website die ik al maanden niet meer bezocht heb. Bah. We zijn allemaal even erg.

But still: it’s good to be back, hopelijk tot snel.

Advertenties