Een kaartje om je ziel te redden

door Vulpius

Het heeft wel iets, zo op die laatste trein naar huis zitten. Je weet wel, die van tien na twaalf. Voor mij ligt een meisje met haar hoofd tegen het raam te slapen. Haar haren zijn vettig. Naast me zit een jongen te tikken op een laptop. Aan de andere kant zit er ook een jongen te schrijven. Dat is mijn spiegelbeeld.

Achter mij hoor ik twee zwarte meisjes roddelen in het Frans tegen elkaar. Ze praten met een zware, hese stem. Ze hebben het waarschijnlijk wat bont gemaakt, maar ik denk ook dat ze het er wat om doen. Ze hebben zin in frieten en vloeken vaak: “Putain!” Er wordt afgeroepen dat er gauwdieven zijn.

Nog verder achter mij hoor ik mensen gezellig keuvelen. Meer energie dan in de ochtend. Allemaal hopen we stiekem dat de trein niet stopt in Brussel, maar verder rijdt naar god-weet-waar. De nacht door. Op weg naar een nieuwe bestemming, een nieuw begin. Alles behalve thuis. Daar wacht de eenzaamheid, de nacht, het verdriet. Zolang we op de sporen rijden zijn we vrolijk. Zolang we niet ontsporen.

Vooraan is er een koppel met een jong kind. Het kind slaapt, en het koppel ruziet in het Pools. Of Russisch, ik ben niet zeker. Om de haverklap gaan er mensen naar het toilet. Normaal doen mensen zoiets liever hier niet, maar om dit uur is de trein geen trein meer, maar is het even ons huis, ons bureau, onze hotelkamer, of — voor sommigen — onze toog.

We zijn er, kijk. Het grijze, sobere station van Victor Horta komt ons tegemoet. De conductrice wenst ons vaarwel. Misschien ooit tot nog eens. Ze is knap, jong, met mooie, bruine haren. Waarom werkt zij op dit onmenselijk uur op zo’n onmenselijke job? Ik stel het niet in vraag. Ik denk dat ze onze bewaarengel is. Een kaartje om je ziel te redden. Helaas maar geldig voor een rit.

Advertenties