Reisavontuur

door Vulpius

Zoals eerder beloofd… Mijn klein reisavontuur.

Een paar dagen geleden was ik onderweg naar huis, terugkomend vanuit het buitenland. Met het vliegtuig natuurlijk, ik ben dol op vliegen.

Waar ik minder dol op ben is vliegreizen met overstappen, vooral wanneer je erg weinig tijd hebt om je aansluitende vlucht te halen.

Wanneer je luchtvaartmaatschappij bovendien ook nog eens vertrekt met een dik half uur vertraging mag je het wel vergeten. “We beseffen dat u bezorgd bent over uw aansluitingen, maar momenteel kunnen we geen informatie geven. Het spijt ons.” Alle (of toch zowat) passagiers in paniek natuurlijk, de stewardess overstelpend met vragen. Ikzelf blijf er vrij rustig onder. Ik vraag enkel aan welke gate we aankomen: A40, en ik moet naar A14 in een half uur tijd. Dat lukt misschien wel.

Niet dus. Om de grap compleet te maken taxiën we zelfs tot bij A14, maar worden we vervolgens met de bus tot bij A40 gebracht! Miserie. Dan maar terughollen. Trappen op, trappen af, vloeken tegen trage mensen die de weg versperren, weer trappen af en trappen op, en dan uiteindelijk toekomen. Het is 6 na 9. Vliegtuig zou vertrekken om 10 na 9.

Het vliegtuig was al weg natuurlijk. “Vlucht naar Brussel? Vertrokken meneer.” En zeg eens waar ik heen kan? “Er is een service desk aan A22.” Allen daarheen dus.

Natuurlijk een immens lange rij daar. Ik begin met aanschuiven terwijl ik wapperend met een stapel papier probeer om er minder als een natte vod uit te zien. Voor mij staat een Spanjaard te proberen om iedereen voor te steken en onder de linten te kruipen. Hij steekt om de vijf minuten zijn vinger op naar een van de medewerksters, die hem straal negeren. Mooi zo, de wet is er voor iedereen. Na een tijdje krijgt de supervisor er genoeg van en deelt deze hem vriendelijk grofweg mee dat hij maar moet aanschuiven. Terecht, maar ze ziet er ook niet meteen echt uit als een type waar ik iets mee wil gaan drinken. Onze Spanjaard antwoordt: “The flight iz now, where zould I go, I ave no ztime!” Kijk gewoon op uw boarding pass, man. Ah, dat heeft u niet, och kom hier. Hij lijkt bijna te gaan janken. Nog geen 3 minuten later heeft hij zijn papieren (nog steeds met boze blik — de supervisor, bedoel ik). Waar zijn gate is? Kijk op de bordjes, man. De dame ziet me glimlachen.

Blijkbaar vindt ze plots dat haar ondergeschikten te traag werken, want ze begint willekeurig commentaar en input te geven achter de schouder van enkele meisjes, die al bevend op hun toetsenbord tokkelen. Je kan zo zien dat een stress-induced hartaanval nabij is. Ik heb wel een beetje medelijden. Het is immers niet enkel hun fout, er zijn enkele mensen die blijkbaar heel hun levensverhaal aan het vertellen zijn. Hoe moeilijk kunnen hun problemen zijn? En — belangrijker — kunnen ze niet gewoon bloggen, dan?

Ik spreek een kerel voor mij aan, die ik net naar een vriend hoorde bellen. “Excuseer, ik hoorde je spreken over treinen, weet je of er nog zouden zijn?” Geen idee. Ook goed. Het is ondertussen toch aan mij. Ik neem me voor om een voorbeeld te geven aan de domme massa achter me en de zaak kort en bondig te houden.

“Hi, how are you?” Kijk, meteen zelf een kantje menselijkheid tonen, zo komen we er, denk ik. “Een minuut meneer, alstublieft.” Grr… ook goed. “Fine, no problem.” Ik blijf vriendelijk maar de glimlach mag ze nu wel vergeten.

“Ik heb enkele problemen, die we — hoop ik — snel kunnen oplossen. Ik begin met het meest belangrijke.” Ik leg in razendsnel tempo mijn reisgeschiedenis uit, en ik zie dat ze haar best doet om te volgen. Ik druk haar mijn paspoort in haar handen — dat ze het maar even controleert.

“Inderdaad, dat is onze fout,” (no shit, Sherlock), “ik kijk even naar andere opties.”

Er wordt wat getokkeld op het toetsenbord… “U neemt morgen de vlucht van 6 uur 50.” Ik kan een lachje amper onderdrukken: “Oh nee. Is er vandaag geen mogelijkheid meer, jullie zitten ten slotte toch in een Star Alliance of zo?” Ze doet alsof ze nog eens probeert, maar uiteindelijk gaat het van “Computer says no.” Tjah, dan maar morgenvroeg, maar niet om 6u50. Wanneer is de volgende vlucht? “7u50.” Even denk ik eraan om te kijken hoe ver ik dit hoger lager spelletje kan drijven, maar beslis uiteindelijk toch om in te stemmen, 7u50 it is.

“Er is nog plaats…” (Ja, hopelijk!) Ze begint alles in te geven. “Window or aisle seat?”, vraagt ze doodserieus. Nu kan ik het lachen niet onderdrukken, maar ze kan er de humor niet van inzien. “Maakt niet uit, doe maar aisle, dan.” Terwijl ze alles ingeeft vertelt ze waar ik heen moet om naar het hotel te gaan en krijg ik een ontbijt-voucher in handen gedrukt. Naar links, departure hall, naar beneden, arrival hall, naar buiten, naar exit 1, en dan de bus naar hotel Crappola. Neen, het hotel heet niet echt Crappola, maar het kon even goed. Ik droom weg, want ik weet ook best hoe ik tot bij de bussen geraak.

“Nog even een vraag. Is de trein geen optie?” Oh neen meneer, die zouden u ook vijf uur kosten en de eerste hogesnelheidstrein is om 4 uur ’s nachts. Okee dan maar. Nog even bevestigen dat mijn bagage niet verloren is en ik ben on my merry way. Ik bedank de dame en kijk op mijn horloge: gepiept op nog geen 10 minuten. Mooi zo. Helaas kan er geen “Nog eens onze excuses voor het ongemak” vanaf. Ik vermoed dat ze denken dat ik nog blij moet zijn. Ik durf te wedden dat de Gold members beter behandeld worden, maar dat is het leven.

Goed, ik dus het doolhof van gangen en halls weer door, tot ik buiten ben beland. Het is een drukte van jewelste, met klaxonerende bussen, roepende mensen, en draaiende motors. Het begint te schemeren, maar het is een zonnige dag geweest zodat de avond nog zwoel aanvoelt. Ik ben niet helemaal ongelukkig, en wacht rustig tot de bus komt. Achter me hoor ik een man vragen naar hetzelfde hotel, en ik begin een babbeltje te slaan. Ook vlucht gemist, waar moest u heen? Manchester, oh I see. Slechte bediening, inderdaad. We maken wat grapjes met andere gestrande reizigers en stappen op.

Een hobbelige rit later komen we toe aan het hotel, dat er van buiten uitziet als een betonnen, euhm… blok beton, dus. In een lange rij schuifelen we de receptie binnen. We krijgen een voor een ons kamernummer toegewezen, samen met een bonnetje voor “the dinner”. Mooi, we kunnen gelukkig nog iets eten. In de zetel zit een niet onknap meisje dat ik op de bus ook al had opgemerkt. Ze is Frans, samen met haar moeder op reis, en ondanks dat ze doet alsof ze koel en onbezorgd is merk ik dat ze steeds schichtig rondkijkt wanneer “maman” even uit het gezichtsveld verdwijnt.

Maman staat wat verder voor me te onderhalen met de receptie. Of ze samen met haar dochter een kamer kan krijgen. Dat kan. Of ze een kamer kan krijgen met twee tweepersoonsbedden. Dat kan, “als u morgen terugkomt en een echt verblijf boekt.” Arme Fransen, nergens in de wereld vind je nog plaatsen waar de aristrocratie nog goed behandeld wordt.

Het is mijn beurt. Ik krijg de lijst instructies te horen, antwoordt met “Yes, yes, yes, yes.” Zet ergens een krabbeltje op en krijg mijn kamerpasje. Op verdiep nul. Wauw, la suite marginal. Ik stap de kamer binen, steek het licht aan, en sla een diepe zucht. Dit is wat je krijgt voor 24 euro per nacht: een smerige kamer met donkerblauwe tapis plain vol verdachte witte plekken. Een tafeltje met vetvlekken. En een badkamer waar ik van heel mijn leven niet in de douche zou durven te stappen.

Ik gooi mijn laptop open, controleer mijn e-mails en trek mijn doordrenkt ondergoed uit. Geen verse kleren natuurlijk, die zitten in mijn bagage. Dan maar even wassen (de hele tijd een vies gezicht boven de wastafel trekkend) en wat gekochte duty-free-deo opdoen. Tijd om te gaan dineren. Op dit punt besluit ik dat dit een blog post moet worden, dus ik neem mijn notitieboekje mee naar het “restaurant”.

*
*  *

Ik stap het restaurant binnen, en moet onmiddellijk mijn verwachtingen weer naar omlaag bijstellen. Meerbepaald naar “eetbarak”, type Lunch Garden na een aardbeving. Ik word aan de ingang tegengehouden door een 130 kilo wegende dame die mijn BEWEIS FUR ESSEN moet zien. Oh juist, het bonnetje. “Dankuwel meneer,” glimlacht ze breed, “het restaurant is self-service en all you can eat.” Ik antwoord op mijn droogst: “Okee…” All you can eat? Oh boy oh boy oh boy, wat wordt dit smullen! Ik maak een verkenningsronde omheen de verschillende warme (lees: niet heet genoeg; lees: salmonella-temperatuur) schotels, en besluit meteen om het vlees links te laten liggen. Ook de groenten kunnen op weinig bijval rekenen. De worteltjes zien eruit alsof ze in tranen kunnen uitbarsten, zo zielig dat ze zijn. Ik zie een van de chefkoks met dienst met de blote handen stukjes rondslingerende groenten oprapen. Gaat hij ze nu weer in de schotel dumpen?! Hij merkt dat ik kijk. Neen, dan maar de vuilbak in.

Ik speel op zeker en ga uiteindelijk aan een tafeltje zitten met wat pasta, groenten, en drie kroketten. De pasta smaakt nog naar het vorige eten dat op de schotel lag. Zo krijg ik toch nog mijn vlees binnen. Ik kijk wat rond, en merk dat iedereen er haast even triest en ongelovig bij zit als ik. Nu ja, triest, ik kan er de humor wel van inzien. Achter me zit de kerel waar ik me kletste op de bus in zijn bord te roeren. Ik twijfel even om me weer aan te sluiten, maar je moet te hangerig worden. Voor me is er een dame die voor de nog veiligere optie heeft gekozen en een stuk cake zit te verorberen. Het dessert lijkt ook niet echt smakelijk. Een volledig gesluierde vrouw zit samen met haar man en dochter te eten. Zou zij een reserve-boerka mee hebben, vraag ik me af. Het kindje zelf is nog te jong voor een hoofddoek. Ze zien er aardig genoeg uit, maar ergens lijkt het me erg vervelend, om je vieze maaltijd door een gleufje naar je mond te moeten loodsen.

Maman en haar dochter komen binnen, compleet in avondoutfit: beiden in een lang wit kleed, half jurk, half pyjama. Je kan zeggen wat je wil van de Fransen, voorbereid op onverwachte kledingswissels zijn ze wel. Ik zit te gapen in mijn nog steeds bezweet hemd.

Ik schuif mijn bord weg, en een ober komt vragen of ik klaar ben. “Oh ja reken maar,” zeg ik. De groentjes kunnen de pot op — of terug de pot in, liever. Ik sla een groepje Japanners gade die de tijd van hun leven lijken te beleven. Een voor een stappen ze naar hun tafel, met een tot de nok volgestouwd bord. Ze maken een groet met de handen en tasten toe, alsof ze uitgehongerd zijn. Ik weet niet uit welk hotel de mannetjes komen, maar het lijkt moeilijk te geloven dat het slechter kon zijn dan dit. Nu goed, respect — sommige mensen zijn snel tevreden, en dat apprecieer ik.

Een zwarte man stapt binnen. Ik zie hem even twijfelen om te vragen of hij bij mij mag zitten, maar hij kijkt rond en merkt uiteindelijk dat iedereen alleen zit. Ocharme. Ik ben een leuke babbelaar.

Moe en voldaan nog steeds hongerig besluit ik dat het welletjes geweest is en stap ik de zaal uit, terug naar het warme comfort van mijn kamer. Oh nee, wacht even: mijn kamer is smerig. Ik neem dus een afslag naar buiten en merk tot mijn vreugde dat er een bar is, waar een groot aantal reizigers al zit te genieten boven een glas bier — ongetwijfeld ook ontsnapt uit de klauwen van kokkin FRAULEIN ELLA UND IHRE VOSE GESMECKTENSJOTELFLEISH. Whatever.

Binnen blijkt inderdaad dat mijn vermoeden correct is. De barman, een kleine, oudere maar vriendelijke kerel, is druk in de weer met het opwarmen van allerlei fastfood: zijnde voornamelijk pizza’s. De ene na de andere pizza wordt de “keuken” (achter de toog) ingerold en versneden, en in een smerig oventje gepropt. De geur doet me echter meteen watertanden, en de ene na de andere hotelgast kom binnen, op zoek naar iets eetbaars. Ik bestel een stuk pizza en een glas bier. “Groot,” vraag hij. Da’s best.

Ik geniet van de pizza en het bier drinkt ook goed weg. Als ik wat beschonken ben merk ik de smerigheid in de kamer misschien niet meer, aldus mijn redenering. De barman is een pro: hij zegt niet te veel, maar wisselt ook wat smalltalk uit. De andere kroegtijgers vormen een bont gezelschap, gaande van de dronken in een hoek zittende kerel tot de overdreven luidruchtige Amerikaan. Aan een tafeltje zitten een man en vrouw te eten. Het is te zeggen: hij is klaar maar moet maar cocktails blijven bestellen voor zijn vrouw.

Ik bestel nog een biertje. De deur staat open, en het is nog steeds best warm. Er komt een Pools meisje naast me zitten. Ik vraag of ze wat wil drinken. Een Cuba Libre. We wisselen wat woorden uit, maar het is snel duidelijk dat ze niet echt op zoek is naar een nog avontuurlijkere nacht. “Ik zit op de suite,” grap ik nog, maar ze moet opstaan om 6 uur. Ik ook, eigenlijk.

Het is middernacht, en ik besluit dat het ook voor mij genoeg is geweest. Na drie grote pinten ben ik al tipsy genoeg om in bed te duiken zonder te kokhalzen, denk ik. Ik blijf nog even hangen, en er komt een kerel naast me zitten die me onmiddellijk begroet. We wisselen opnieuw wat ditjes en datjes uit. Ook gestrand? Yup. Ook naar de bar gevlucht? Yup. Hij zat al een tijdje buiten, maar kon het luidruchtige gezever van de Amerikaan niet meer uithouden. Het is een Ier.

Achteraf bekeken had ik het kunnen weten, dat het onmogelijk braaf bij middernacht zou blijven. Ik begin wat te kletsen met mijn toog-genoot, en de kerel is zo vriendelijk om meteen te trakteren op een nieuw glas. Dat kunnen we niet afslaan, natuurlijk. We beginnen wat te babbelen. Over onze reizen — of we vaak op weg zijn enzoverder. Ik vraag hem wat ‘ie doet voor de kost. Security consulting. Ik denk aan een soort body guard, maar daar lijkt hij niet gespierd genoeg voor. “Bedrijven huren me in om bij hun in te breken en de zwakke plekken te ontdekken,” legt hij uit. Hij is al heel de wereld rondgereisd en hielp zelfs bij het beveiligen van concerten van U2, en zo.

Ik ben onder de indruk, maar ben gelukkig niet wereldvreemd. Ik babbel dus vlot mee en we kunnen het goed met elkaar vinden. “En wat doe jij, je ziet eruit alsof je ook in consulting zit, maar dan meer IT of zo.” Prima wat mij betreft, waarom niet.

De avond vordert. We kletsen nog wat en beginnen beiden serieus bezopen te raken. De barman laat weten dat hij wil sluiten en we de laatste kunnen bestellen, als we willen. Ik trakteer. En reken af. We gaan buiten zitten en babbelen nog wat met de achterblijvers. Er zijn twee knappe, flirterige Duitse meisjes en een Engelse knaap die een band is begonnen. Hij klaagt over hoe moeilijk het wel niet is om van de grond te raken, terwijl de meisjes giechelend fluisteren. We roken nog wat sigaretjes samen terwijl we aan onze pint lurken.

Ik kijk op de klok. 3 uur, bijna 4 zelfs. Hoog tijd om op te stappen. De anderen zijn het meer dan eens. Al lachend en waggelend stappen we de lobby binnen. We drukken elkaar de hand. Zeer fijn om je te ontmoeten, ik heb me geamuseerd. Tot de volgende, misschien, en anders ook het beste.

Ik stap mijn smerige kamer binnen, en zie: de witte vlekken vallen al heel wat minder op. Ik plaats nog snel een korte post op deze blog, en duik mijn bed in. Alles draait. Ik leg mijn wekker voor de veiligheid maar een eindje verder. “Dit wordt de hel, morgen,” bedenk ik me nog.

Ik ben er uiteindelijk wel geraakt, al weet ik niet hoe ik ooit op de luchthaven ben geraakt die ochtend. Ik ben in principe geen zwever, drinker, roker, of flirterig type, maar af en toe — heel af en toe — komt de Bukowski in mezelf toch weer bovendrijven, en dan is het wel leuk om eens gek te doen. Geen pakkende moraal jammer genoeg, noch een spannende afsluiter. Sorry hiervoor, maar anderzijds zijn het soms de willekeurige, kleine avontuurtjes die het leven spannend houden.

Tip dus voor reizigers: stel je open, maar er het beste van, en sla een babbeltje. Morgen ben je toch weer weg.

Advertenties