A little history of philosophy (Een korte geschiedenis van de filosofie)

door Vulpius

Ik had een tijdje geleden al Philosophy: The Basics van hem gelezen, maar onlangs ook A Little History of Philosophy in handen gekregen, ook van Nigel Warburton dus. Warburton is professor aan de Open University (UK), en staat bekend als schrijver van filosofie-populariserende boekjes. Ideaal voor leken zoals ikzelf dus. Simpel en helder uitgelegd – maar diepgaand genoeg zodat je familieleden onder tafel kan praten op het volgende communie- of kerstfeestje.

Neen, serieus, ik ben een stiekeme genieter van filosofie, maar voel noch het verlangen om uit te pakken met kennis, noch het verlangen om me dan weer te verdiepen in te droge teksten. Vandaar dat ik wel genoten heb van dit boekje.

Zoals de titel aangeeft wordt de lezer meegenomen op reis doorheen de tijd, waarbij de grote filosofen een voor een de revue passeren. Onderstaand lijstje geeft een lijstje van hoofdstukken, samen met enkele kernwoorden. Sommige namen krijgen wat meer uitleg dan anderen; filosofen waar ik nog niet vertrouwd mee was krijgen meer tekst.

(De reden waarom ik continu dit soort lijstjes maak hier is trouwens niet om: overtreding van het auteursrecht te plegen, u te helpen bij het maken van huiswerk, te tonen dat ik goed ben in het maken van samenvattingen, te bewijzen dat ik het hele boekje heb gelezen of te bewijzen dat ik veel lees. De reden is veel simpeler: het maken van dit soort lijstjes helpt me veel beter bij het onthouden en verwerken van de inhoud, en bovendien geeft dit me een snel aanknooppunt om later mijn geheugen op te frissen door gewoon even terug te piepen. Ik moet het boekje zelf namelijk teruggeven.)

So here goes…

  • Socrates: stelde continu (vervelende) vragen. Ik weet dat ik niets weet.
  • Plato: de wereld is niet wat het lijkt. De grot van Plato en de Theory of Forms. Ook schrijver van De Republiek.
  • Aristoteles: “Een zwaluw maakt de lente niet.” True happiness. Stelde zich de vraag hoe men moet leven. Door het juiste karakter te ontwikkelen.
  • Pyrrho: scepticisme.
  • Epicuris: geloofde dat filosofie praktisch moest zijn. Zoek plezier. Filosofie als vorm van therapie. “I was not; I have been; I am not; I do not mind.”
  • Epictetus, Cicero, Seneca: stoïcisme. Hoe omgaan met dingen die je overkomen? Je moet niet proberen te veranderen wat je niet kan veranderen. Wel kiezen hoe te reageren.
  • Augustinus: wat wil God dat we doen? En waarom laat God het kwaad toe? Zijn oplossing kwam voort uit het idee van vrije wil.
  • Boethius: als hij alwetend is, hoe kunnen we dan echt vrije wil hebben?
  • Anselm, Aquinas: ontologisch argument. Gaunilo van Marmoutiers zet het gedachtenexperiment op van een perfect eiland. Aquinas postuleerde vijf stellingen om aan te geven dat God bestaat.
  • Machiavelli: De Prins. Hoofdidee was dat van “virtue”, “this is part of his cynicism, his low view of human nature.”
  • Thomas Hobbes: politiek denker. Dacht ook vrij cynisch over mensen. Dacht na over belang van de “staat” om te voorkomen dat maatschappij in elkaar stort. Idee van Leviathan om gemeenschap rechtmatig en bij elkaar te houden. Was ook materialist: mensen hebben geen ziel, enkel lichaam – complexe machines.
  • René Descartes: hoe weten we dat we niet dromen? Methode van Cartesiaanse twijfel: niets aanvaarden als waarheid als de kans bestaat dat het niet waar is, hoe klein dan ook. Cogito ergo sum. I’m thinking, so I must exist.
  • Blaise Pascal: Pascal’s wager.
  • Baruch Spinoza: God is gelijk aan concept van “Natuur”. Vorm van Pantheïsme: God is alles. Was ook overtuigt van determinisme: alles is het gevolg van eerdere acties.
  • John Locke, Thomas Reid: wat maakt iemand dezelfde persoon doorheen de tijd? Persoonlijke identiteit als psychologische continuiteit. Reid vondt dat Locke wat ver ging: “Personal identity, it seems, relies on overlapping memories, not on total recall as Locke had thought.”
  • George Berkeley: blijft iets bestaan als er niemand is om het waar te nemen? Volgens Berkeley niet. “When he heard about Berkeley’s theory, his contemporary Samuel Johnson kicked a stone hard in the street and declared, ‘I refute it thus’.” Berkeley was een idealist – alles wat bestaat zijn ideeën — en een immaterialist – materiele dingen bestaan niet. Ook Locke onderzocht het verband tussen werkelijkheid en schijn. Primaire en secundaire eigenschappen. “He was a realist in that he believed in the existence of a real world.” Berkeley was van mening dat we de wereld we direct waarnemen, omdat deze juist uit niets anders bestaat dan ideeën. ‘Esse est percipi’ – to be (or exist) is to be perceived. De vallende boom maakt dus geen geluid als er niemand is om te luisteren. Toch dat Berkeley niet dat objecten om de haverklap in en uit bestaan floepen. God wordt geïntroduceerd als “almachtige waarnemer”, als waarborg voor het voortdurend voortbestaan van onze ideeën.
  • Voltaire, Gottfried Leibniz: Voltaire vond niet dat de wereld een perfecte schepping was van God. Hij gekend als voordrager van vrije meningsuiting. Controversieel figuur. Schrijver van Candide.
  • David Hume: Goddelijke klokkenmaker. Bestaan van God vanuit het Design Argument. Hume was hier niet tevreden mee, en ging op zoek naar meer bewijs. Hume klinkt als de eerste uitgesproken atheïst, hoewel hij dit nooit heeft bevestigd.
  • Jean-Jacques Rousseau: Beschrijft in Het sociaal contract het idee van de General Will, datgene was het beste is voor de hele gemeenschap. Een beetje te vergelijken met ideeën van Hobbes en Locke.
  • Immanuel Kant: een van de best gekende filosofen. Wou ook onze relatie met realiteit begrijpen. Beschreef de noumenal en phemonenal world. Synthetische en analytische kennis. “His great insight was that we could, by the power of reason, discover features of our own minds that tint all our experience. Sitting in an armchair thinking hard, we could make discoveries about reality that had to be true, yet weren’t just true by definition: they could be informative.” Categorisch imperatief: set van regels die we steeds moeten volgen, ongeacht de situatie of gevolgen. Hoe deze op te stellen? Regels moeten universaliseerbaar zijn.
  • Jeremy Bentham: bedenker van Panopticon. Beschrijver van utilitarisme. “The Felicific Calculus was the name he gave to his method for calculating happiness. First, work out how much pleasure a particular action will bring about. Take into account how long the pleasure will last, how intense it is, how likely it is that it will give rise to further pleasures. Then subtract any units of pain that might be caused by your action. What you are left with is the happiness value of the action.” Staat tegenover Kant’s deontologische regels.
  • John Stuart Mill: er zijn gradaties in geluk. Soms kort-termijn pijn beter voor lange-termijn blijheid. “Given the choice, would it be better to be a contented pig rolling about in a muddy sty and chomping through the food in its trough, or a sad human being? Mill thought it was obvious that we would choose to be a sad human rather than a happy pig.” Was ook grote voorstander van feminisme.
  • Georg Hegel: de uil van Minerva. Zeer moeilijke lectuur. “Hegel came to reject Kant’s view that noumenal reality lies beyond the phenomenal world. He concluded that the mind shaping reality just is reality. There is nothing beyond it. But this did not mean that reality remained in a fixed state. For Hegel, everything is in a process of change, and that change takes the form of a gradual increase in selfawareness, our state of self-awareness being fixed by the period in which we live.” Dialectische methode: thesis, anthisesis en synthesis. Geschiedenis volgens hem heeft een einddoel, waar we naartoe drijven door de menselijke Geist.
  • Arthur Schopenhauer: pessimist. Leven is cyclus van dingen willen, ze krijgen, en dan meer willen. Dicht bij Boeddhisme. Onderstreepte het belang van kunst. “Art provides a still point so that, for a short time, we can escape the endless cycle of striving and desire.”
  • Charles Darwin: evolutietheorie.
  • Soren Kierkegaard: Either/Or.” This book gives the reader a choice between either a life of pleasure and chasing after beauty or one based on conventional moral rules.”
  • Karl Marx: dacht net zoals Hegel dat geschiedenis een einddoel had. Egalitair.
  • C.S. Pierce, William James: pragmatische filosofie.
  • Friedrich Nietzsche: God is dood. Niet nuttig meer voor maatschappij. Hoe weten we dan hoe te leven? Immoralisme: niet iemand die slecht doet, maar iemand die verder gaat dan moraliteit. Kijken naar de Genealogy of Morality. “In Thus Spake Zaruthustra (1883–92) he wrote about the Übermensch or ‘Super-Man’. This describes an imagined person of the future who is not held back by conventional moral codes, but goes beyond them, creating new values. This is a bit worrying, partly because it seems to support those who see themselves as heroic and want to have their way without consideration of other people’s interests. Worse still, it was an idea that the Nazis took from Nietzsche’s work and used to support their warped views about a master race, though most scholars argue that they distorted what Nietzsche actually wrote.”
  • Sigmund Freud: psycho-analyse. Betekenis van dromen. Bewustzijn en onderbewustzijn.
  • Bertrand Russel: liefhebber van “logica”. Structuur van argumenten. Paradoxen. Linguïstisch tijdperk: belang van taal en logische vorm.
  • Alfred Jules Ayer: hoe achterhalen of iets waar is of nonsense. Verificatie principe: is het waar door definitie, of is het empirisch verifieerbaar? Zoniet is de uitspraak betekenisloos. “It is therefore, on Ayer’s analysis, completely meaningless to say ‘Torture is wrong’ since it is the type of sentence that could never be either true or false. When you say ‘Compassion is good’ all you are doing is showing how you feel: it’s just like saying ‘Compassion, Hooray!’ Not surprisingly, Ayer’s theory of ethics, known as emotivism, is often described as the Boo!/Hooray! Theory.” Ook uitspraak “God bestaat” is betekenisloos.
  • Jean-Paul Sartre, Simone de Beauvoir, Albert Camus: vrijheid. Bad faith : wegrennen van vrijheid. Existentialisme : “a life full of anguish”. “The anguish comes from understanding that we can’t make any excuses but are responsible for everything we do. But the anguish is worse because, according to Sartre, whatever I do with my life is a kind of template for what anyone else should do with their life. If I decide to marry, I’m suggesting that everyone should marry; if I decide to be lazy, that’s what everyone should do in my vision of human existence. Through the choices I make in my life I paint a picture of what I think a human being ought to be like. If I do this sincerely it is a great responsibility. Existentialism was the name that other people gave to Sartre’s philosophy. The name came from the idea that we find ourselves first of all existing in the world, and then have to decide what we will make of our lives. Another important theme of existentialism was the absurdity of our existence. Life doesn’t have any meaning at all until we give it meaning by making choices, and then before too long death comes and removes all the meaning that we can give it. Sartre’s version of this was to describe a human being as ‘a useless passion’: there is no point to our existence at all. There is only the meaning each of us creates through our choices. Albert Camus (1913–60), a novelist and philosopher also linked with existentialism, used the Greek myth of Sisyphus to explain human absurdity. Human life is like Sisyphus’ task in that it is completely meaningless. There is no point to it: no answers that will explain everything. It’s absurd. But Camus didn’t think we should despair. We shouldn’t commit suicide. Instead we have to recognize that Sisyphus is happy. Why is he happy? Because there is something about the pointless struggle of rolling that huge rock up the mountain that makes his life worth living. It is still preferable to death.”
  • Ludwig Wittgenstein: dacht na over betekenis en onduidelijkheid in het gebruik van taal.
  • Hannah Arendt: gaf aan dat nazisme niet noodzakelijk ging over extreem sadisme, maar – erger – mensen die niet nadachten. Die gewoon hun job deden en bevelen volgden. De banality of evil.
  • Karl Popper, Thomas Kuhn: falsificatie theorie in wetenschap. De wetenschappelijke methode. Inductie versus deductie. Paradigm shift.
  • Philippa Foot, Judith Jarvis Thomason: treinexperiment (knop indrukken om vijf mensen te redden versus een dode…). Andere varianten van experimenten veel moeilijker te beantwoorden. Innerlijke moraliteit is dus niet simpel te vatten. De wet van het dubbel-effect. Thomson dacht na over abortus. “Traditionally, debates about the morality of abortion had focused on the foetus’ point of view. Her argument was important in that it gave a lot of weight to the woman’s perspective. Here’s the example. There is a famous violinist who has a kidney problem. His only chance of survival is to be plugged into a person who shares his very rare blood group. You have that same blood group. One morning you wake up to find that while you were asleep doctors have attached him to your kidneys. Thomson argues that in such a situation you don’t have a duty to keep him plugged into you, even though you know that he will die if you pull the tubes out. In the same way, she suggests, if a woman is pregnant even though she used contraception, the developing foetus inside her does not have an automatic right to the use of her body. The foetus is like the violinist.” Abortuskwestie gaat dus verder dan de vraag of de foetus een person is.
  • John Rawls: veil of ignorance. Hoe gelijkheid te bekomen? The original position: liberty principle en difference principle. Basisvrijheden en gelijke kansen.
  • Alan Turing, John Searle: Chinese Room experiment. Een computer kan niet denken zelfs al lijkt het alsof. Turing test.
  • Peter Singer: waarom zijn we bezorgder over een verdrinkend kind dat stervende kinderen in Afrika? Net zoals Bentham en Mill een consequentialist. “The whole of Singer’s approach to moral questions is based on the idea of consistency. Consistency is treating similar cases in a similar way. It is a matter of logic that if what is wrong with harming human beings is that it causes pain, then other animals’ pain should affect how we behave too. If harming an animal brings about more pain than harming a human being, then it’s better to harm the human being if you have to harm one of them.”

Ooit schrijf ik me opnieuw in als student. Bachelor filosofie, ditmaal.

 

Advertenties