Het bibliotheekbezoek

door Vulpius

Ik weet nog hoe we met de school voor het eerst de stadsbibliotheek bezochten.

Ik zeg voor het eerst, omdat het voor het eerst was dat we met de hele klas gingen (en meteen ook bijna de laatste keer), maar voor mij was het niet voor het eerst.

Het moet ergens in het eerste — of misschien tweede — leerjaar geweest zijn. Of neen, wacht: ik zat al op de andere school: dus het was het derde leerjaar. Boeken en bibliotheken was blijkbaar iets waar je beter wegbleef als je nog te jong was. Gezien de samenstelling van de klassen op onze school misschien ook maar normaal.

Maar goed, het derde leerjaar dus. De uitstap werd de dag ervoor al met veel fanfare aangekondigd door de juf (ik ben niet zeker van haar naam). Dat we ons warm moesten kleden. Dat we braaf moesten zijn. En dat we van mamapapalief allemaal 100 frank moesten meenemen om de lidkaart te betalen*. *: dit was niet nodig als je al een lidkaart had.

En die had ik dus. Een dik jaar geleden had ik zowat alle literatuur die er thuis voor een jongetje van mijn leeftijd te vinden was al allemaal verslonden, en dus vond mijn moeder het tijd geworden om me te introduceren aan de wondere wereld van de bibliotheek. En wonderbaarlijk was het inderdaad. Een oase van rust, gangen vol boeken, verdiepen vol verhalen. Hoekjes en wegjes en geheime plekjes om je de hele dag in te verstoppen. Zalig gewoon. Meer had dit introverte jongetje niet nodig.

Maar mijn moeder is iemand die vindt dat er bij leuke zaken ook altijd een les — of iets minder leuks — moet horen, en nadat ik zeer officieel werd aangeschreven door de bibliotheek (de brief had het logo van de stad) met de vraag of ik me wou aansluiten bij de boeken kinder- en jeugdjury (ik denk dat dit de juiste naam was), aangezien bleek uit hun databank (kaartenbakje, denk ik) dat ik een van de meest actieve en jonge lezers was (de twee vereisten om bij de kinder- en jeugdjury te mogen), vond mijn moeder aldus dat ik dit moest doen.

Ikzelf was er niet voor te vinden. Ik was en ben niet slim, maar ik had verstand genoeg om te beseffen dat er weinig jury’s zijn met slechts een lid, en dat er bijgevolg dus andere “jongeren” zouden zijn. Sociaal contact, en daar was ik toen niet goed in.

Achteraf gezien had mijn moeder wel gelijk, natuurlijk. De hangjongeren bleken uiteindelijk allemaal even brave jongens en meisjes als ikzelf te zijn, waar ik me goed mee heb geamuseerd. De samenkomsten om het boek van de maand te bespreken hadden trouwens ook hun bijzonderheden, maar dat is een verhaal voor een andere keer.

Maar goed, de bibliotheek dus. Tegen de tijd van onze klasuitstap was ik het al helemaal gewoon daar. Om de twee-drie weken bracht ik mijn bezoek tijdens het weekend, om met vijf boeken (het maximum) weer naar huis te keren. Ik was de beste maatjes geworden met een van de bibliothecaressen, waar ik vaak mee kletste, als kleine jongen. Dat was raar. Ze had me graag, maar achteraf beschouwd eerder vanuit een soort “ik heb pedagogie gestudeerd en heb nog geen kinderen”-gevoel, eerder dan omwille van mijn opschepperijtjes over hoe ik tien boeken zou meenemen moest het mogen. Ik had nogal de neiging om ervan uit te gaan dat iedereen volledig gepassioneerd is en gedefinieerd wordt door zijn of haar beroep. Die fout maak ik soms nog. Waarschijnlijk komt het door de kinderboeken: Bert de Bakker, Piet de Postbode, Fanne de Fruitboer en Bieke de Bibliothecaresse. Zoiets dus. Ik wist nog niet dat het Bieke de Bipolair Gestoorde enzoverder is in het leven. Ach ja. Ik had toen ook wel gevoel voor humor, wat vaak zorgde voor de beoogde sympathie.

Nu, ik kende de bibliotheek dus op mijn duimpje. Ik wist waar welke boeken lagen, en ik was al zo gewoon geworden aan de indeling dat het lopen doorheen bepaalde gangen voldoende was om bepaalde gevoelens op te werpen. Hier was de gang met de non-fictie informatieverschaffende boeken — een serieus gevoel. Hier was een weggedoken hoekje waar de boeken voor de al-wat-oudere kinderen stonden. Alleen op de wereld, en zo — een zwart gevoel. Hier stonden de Garfield en Hagar bundels — een glimlach. Dan naar de strips, zowel boven als beneden, want sommige, zoals Kiekeboe, stonden bij de volwassenen — maar die mocht je niet naar huis nemen, tenzij mamaofpapalief erbij was en de bibliothecaressen een oogje dichtknepen. Het was ten slotte maar Kiekeboe. Nog meer naar boven was er nog een klein bijverdiepje, waar het altijd zeer stil was. Daar stond poëzie, en toneel, en kunst. Daar was ik toen nog niet aan toe, dus vaak kwam ik er niet.

Soms — een paar keer na de kinder- en jeugdjury samenkomsten — mocht ik mee naar nog verder boven: het derde verdiep. Hier was het secretariaat, en de kantoren van de bibliothecaressen. Ze heeft me eens meegenomen en het archief laten zien: allemaal boeken waar gewone bezoekers geen wist van hadden, maar ik wel. Verstopte schatten die nog ontdekt moesten worden. Nadien hebben we spelletjes gespeeld op haar computer. En toen moest ik naar huis.

Je moest mij niets meer leren, over onze gigantische bibliotheek. Toen toch gigantisch. Het is een zeer kleine bibliotheek, eigenlijk. En zo kwam het dat ik met meer dan gepaste triomfantelijkheid ’s ochtends vroeg op school arriveerde. Zelfs de juf is niet zo vaak naar de bibliotheek geweest als ik. De sukkels komen er voor het eerst. Gedaan voetbal, gedaan knikkeren, gedaan vechten op de speelplaats — hier heers ik.

Helemaal voorop de rij liep ik, een bundel van puur machtsvertoon. Misschien waren er wel enkele bibliothecaressen die ik kende. Wat zou iedereen op kijken als ik ze langs mijn neus weg met het perfecte snuifje nonchalance zou begroeten en enkele woorden wisselen. Een man van de wereld, ik hoor!

Maar kinderen blijven kinderen, en mijn oorlogsplannen vielen aan diggelen eenmaal we de bibliotheek binnenstapten. Iedereen begon wild in het rond te rennen, zodat ik niet eens de kans kreeg om als een krijgsheer binnen te schrijden. Als laatste redmiddel keek ik nog verlangend naar de juf, maar die had zich al laten neerkomen in een van de stoeltjes die in de leeshoek bij de ingang stonden en was nu druk bezig aan het geeuwen en zielig uit het raam aan het staren (manisch depressief)… hier had je ook niets aan! Maar geen nood, natuurlijk zouden mijn klasgenootjes snel tot het besluit komen dat dit ruwe, ongekende terrein hun meester wordt en ze hun weg niet vinden tussen de A’s tot Z’ten.

Maar neen, een groepje klasgenootjes (de meest uitbundige, luidruchtigste, normaal-gezien-best-op-de-hoogte-zijnde en aldus “coolste”) stormde de trappen op, aangedreven door klasgenootje Sven. Nu, klasgenootje Sven is een klasgenootje waarvan je gewoon wist dat hij nooit een voet in een bibliotheek had gezet. Dat kon gewoon niet. Ik denk dat hij op zijn twaalfde een snor kreeg, en op zijn dertiende voor het eerst een pint ad fundum achterover keilde. Zo iemand waarbij je niet thuis wou komen, omdat de gordijnen stonken naar de sigaretten en de kat in de vaatbak had gepiest. Zo iemand dus, en ik was toen een engeltje, vandaar. Waar gingen ze in godsnaam naartoe?

Ik maakte gebruik van mijn superieure kennis van de plattegrond-van-de-bibliotheek om hun te achtervolgen. Wachten tot ze hoek om waren, dan de trap op, nog een trap, afstand houden, en in een parallel lopende gang luistervinken.

Een hoop onderdrukt gelach, van het type “vettig” en geheimzinnig. “Kom, ik weet nog coole boeken liggen.” En: “Kijk, ge moet naar dit kijken, zie!”

Mijn goede humeur was onder het nulpunt gezakt. Niet alleen was ik vervult met afgrijzen omdat Sven — Sven! — blijkbaar ooit ergens de topologie van de bibliotheek had geleerd, maar die ook had aangewend om… om… ja om wat eigenlijk te lezen? En daarenboven: dit was de volwassenen verdieping. Hier hoorden wij niet te komen! We konden zelfs de boeken hier niet uitlenen, tenzij met-speciale-toestemming-van-vriendelijke-bibliothecaressen. Waar gaat dat naartoe, straks zou hij nog naar het niet-voor-gewone-bezoekers-toegankelijke derde verdiep hossen!

Stilzwijgend, gekwetst en boos liep ik met de rest terug naar school. Ik had maar een boek mee, want ik had er thuis nog vier liggen van het weekend daarvoor. Voor schut gezet in mijn eigen domein, in mijn eigen jachtterrein! Hoe kon het wezen…

Ik ben achteraf nog eens gaan kijken, naar de boeken die ze aan het lezen waren. Toen ik alleen was, rustig en in alle kalmte. Na wat zoeken vond ik waarmee ze hadden zitten gieren: een stripverhaal, met al het racisme van Kuifje in Afrika gemengd met alle vunzigheden in Rode oortjes. De plaatjes waren zwart-wit, en het verhaal leek te gaan over missionarissen die en masse negerinnen met grote borsten verkrachtten. Nu ja, er werd niet gezegd verkrachten, maar daar kwam het wel op neer. Ik heb niet verder gelezen, maar stak meteen met een rood aangelopen gezicht het ding weer terug en holde terug naar beneden. Hier hoorde ik niet te wezen, dit was niets voor kleine jongetjes. Mijn periode vol perversie zou zich immers pas veel later aandringen.

Maar het was wel een les. Om op je hoede te wezen, om niemand te onderschatten, zelfs Sven niet. En ook om jezelf niet te overschatten. Bekendheid voert je naar gemakzucht. Gemakzucht naar hubris, en hubris tot het over het hoofd zien van dingen. Gek genoeg heb ik het boekje nooit meer teruggevonden, ook niet toen ik het echt wou terugvinden. Het was achteraf alsof het nooit heeft bestaan, is dat niet vreemd? Misschien dat de bibliothecaressen bij de laatste inventarisatie beslist hadden om het te bannen naar het archief — vanwege te vunzig en “niet meer van deze tijd” of “maatschappelijk onaanvaardbaar geworden”, of andere pedagogische belemmeringen.

Of misschien ligt het bij Sven ergens in een vergeten kartonnen doos, ergens op een zolderkamer.

Advertenties