Alfabet der mensen (A1): Olijfboter op de planken

door Vulpius

Goed, zoals lang geleden al beloofd. Nu ja, “beloofd”… vermeld, eerder, maar dat maakt niet uit.

Mijn alfabet der mensen dus, en voorlopig nog in nette alfabetische volgorde. We beginnen dus bij de A. A1, moet ik zeggen, want ik weet dat er sowieso nog enkele A’s moeten volgen.

Ik wist trouwens niet goed bij welke A eerst te beginnen. Er zijn er namelijk twee waartussen ik echt niet zou kunnen zeggen wiens verhaal me het meest beïnvloed heeft. Dus om het makkelijk te maken ga ik ook chronologisch werken. Dit is de eerste A.

Het is een heel stom verhaal, eigenlijk, maar ik heb ook nooit gezegd dat dit spannend zou worden.

*
*     *

Ik was een puberende middelbare scholier, zo ergens in het vierde-vijfde studiejaar. Zoals iedere puber liep ik achter meisjes die mij niet wilden, en liepen er meisjes achter mij die ik niet wilde. Het leven was verwarrend, maar eigenlijk achteraf beschouwd erg mooi, en ik vulde mijn dagen samen met andere lotgenoten bij wie de hormonen niet helemaal in balans waren met het doen alsof we de wereld zouden veranderen en we voor eeuwig die losbollige, anders-dan-de-anderen artiesten zouden blijven.

Gek genoeg herinner ik me vaak enkel de zomers van die tijden. Het leek toch alsof de zon veel meer scheen, toen.

Een van mijn bezigheden toentertijd was toneelschool. Ook zo een van mijn artistieke half-opgelegde en initieel-verachte hobby’s die snel een bijzonder slimme keuze zouden blijken te wezen. Op vele vlakken. Niet alleen als soort uitlaatklep door op de bühne je ding te kunnen doen, maar ook gewoon als levensles. Het kunstonderwijs trekt namelijk een bepaald soort ras mensen aan: kunstenaars. En kunstenaars, dat waren mensen zonder geld, mensen met een alcoholverslaving, gekke mensen die geen blad voor de mond namen en konden lachen met het feit dat hun vibrator uit hun handtas viel op de trein, mensen met tatoeages en piercings, homo’s, mensen die hier eigenlijk al te oud voor waren, en mensen die hier eigenlijk nog te jong voor waren.

Je kan je dan ook af vragen wat ik hiertussen, volkomen normaal zijnde, tussen deed, zeker gegeven mijn we-doen-progressief maar zijn-eigenlijk-conservatief ingestelde ouders. Maar spijt heb ik er nooit van gehad. De shock van het ontmoeten van deze rare snuiters gevolgd door een gevoel van acceptatie, respect, vriendschap en eigenlijk ook herkenning is een van de beste lessen die een mens kan krijgen. Maar ik dwaal af.

Toneel dus. Drie jaar ervoor had ik mijn eerste “gewaagde” rol moeten spelen. Ik moest voor een gevulde zaal (lees: een klein stadszaaltje vol half-ingedutte oma’s en opa’s) een arrogante klootzak spelen die een gekregen liefdesbrief voorleest. Uit de luidsprekers konden mensen mijn stem horen die de brief voorlas (zoals in goedkope feuilletons waar mensen een brief lezen maar de kijker ook moet weten wat er in staan), terwijl ik stilzwijgend reageerde op de dingen die ik las, wat dan voornamelijk neerkwam op fel-overdreven grijnzen, optrekken van wenkbrauwen en het uiteindelijk verfrommelen en weggooien van het papiertje. Niet echt Shakespeare, dus (dat kwam later). Maar de combinatie van het idee dat ik iemand moest spelen die een liefdesbrief van een meisje kreeg met mijn arrogante manier van reageren maakte het wel tot een “gewaagde” rol, vond ik toen. Als klap op de vuurpijl moest er ook nog een gedicht in de brief staan. Een gedicht dat “zij” had geschreven, maar dat ik eigenlijk had moeten schrijven. Ik had me dus ook al moeten indenken dat ik op mezelf verliefd was samen met al de eigenschappen waar ik dan precies verliefd op was. Ik was toen nog een stuk minder narcistisch en meer bezig met het schrijven van slechte poëzie die niet naar mezelf gericht was. Ook dat was dus best speciaal.

In het tweede semester van datzelfde jaar kwam mijn andere gewaagde rol. We waren bezig met het oefenen van humoristische stukjes (vraag me niet van wie), en ik zou een monoloog moeten gaan voeren waarbij ik uitlegde dat het als homofiel niet makkelijk was om een kind te adopteren. Het papierwerk, de ruzies, wat zouden de buren niet zeggen en dan uiteindelijk de grappige afsluiter dat we maar een hond hadden genomen. Maar dit ging te ver, hoor, voor mij. Spelen dat ik  homo was, neen dat kon niet. Wat zouden de oma en opa en de ouders wel niet denken als ze dat hoorden in de zaal. Ik stelde mijn veto. Sorry, maar dit speel ik liever niet.

Thuisgekomen nog zo aangedaan van de hele zaak dat ik het, zo al half-lachend van “moet je nu eens horen wat een maf verhaal” vertelde aan de ouders wat ik had moeten doen, al met de ondertoon van “stel je voor, zeg!”. De reactie was — we hadden het kunnen weten — natuurlijk net andersom. Hoezo niet doen? Het is toch grappig, zei je? Waarom niet dan? Het is ook altijd wat, en dus in de volgende les toneel dan maar moeten vertellen dat ik het toch zou doen. De reden waarom ik überhaupt nog wou terugkomen op mijn woorden was dat ik er wel blij om was. Wat maakte het mij uit dat ik homo moest spelen? En het was ook best een grappig stuk: de mensen moesten lachen tijdens de voorstelling. Een heerlijk gevoel waarvan de herinnering me nog altijd warm maakt.

Een academiejaar einde, schitterende punten (we hadden allemaal goeie punten, hoor, in de toneelschool) en een zomervakantie later kwam vervolgens het tweede jaar. Nieuwe gezichten, nieuwe vragen en nieuwe zorgen, dat soort zaken. Ik was een graag geziene jongen die ondertussen had geleerd niet langer beschaamd te zijn om een excentriekeling te zijn. De stukken die we opvoerden werden er ook niet normaler op. Seksueel getinte en allerlei vuile onderwerpen werden zonder schroom aangesneden, gerelativeerd en geridiculiseerd, maar steeds — we waren immers artiesten — met een zwarte, duistere ondertoon. Onze stadszaal was inmiddels bekend terrein geworden (een beetje zoals de bibliotheek tijdens mijn vorige verhaal), waar ik het gevoel had gekregen heer en meester te zijn achter de coulissen, in de kleedkamers en verborgen gangen. Hier voelde ik me goed, fier, machtig en succesvol, en zo’n dingen stralen af. (Later bleek ook dat ik ook hier overmoedig was geweest, net zoals de bibliotheek veel eerder in mijn leven, maar goed…)

In het jaar daarop gingen we een echt moeilijk stuk spelen. Een Frans stuk, denk ik, en bijgevolg vol intriges, driehoeksverhoudingen, geheime relaties en minnaars. Zoals ieder jaar waren we met veel te weinig jongens in onze klas, waardoor sommige meisjes gedwongen werden ook sommige jongensrollen voor hun rekening te nemen en de weinige jongens plots het bijzonder aangename vooruitzicht kregen om voor minnaar te mogen gaan spelen. Er zou heel wat afgekust moeten worden, maar dit was toch geen probleem? In het toneel gebeuren zulke zaken namelijk. Het is dan ook niet echt, maar gewoon: gewoon toneel. Ja, er is zoiets als een toneelkus, maar als je er geen probleem van maakt kan je evengoed gewoon kussen. We zijn allemaal toch grote, jonge mensen?

En dat waren we. Erg knap vond ik de meeste meisjes trouwens niet, in onze klas, en in het begin vond ik het best raar om zomaar wat te zitten smakken en zoenen op de planken (“Dat leek helemaal niet echt, dat moet veel langer… opnieuw!”), maar na verloop van tijd begon alles veel vlotter te verlopen. Ik durf zelfs te stellen dat de rol van minnaar mij enigszins begon te liggen.

En A was dus een van die meisjes met wie er gezoend moest worden.

Kijk, achteraf bekeken was het eigenlijk vrij duidelijk. Haar toneelkussen werden langer, intenser en minder gespeeld, maar het heeft veel te lang geduurd alvorens ik iets doorhad. Aanvankelijk was ik dan ook vrij afstandelijk tegenover haar. Ze was een nieuwkomer in onze groep. Of eerder: wij waren nieuwkomers; vanaf een bepaalde leeftijd werden de jongere klassen bij de ouderen gezet. En ze gedroeg zich ook ouder. Volwassener. Bijna weg van het middelbaar. Wij waren nog onbezorgde jonge knapen. Een wereld van verschil. Ze was slim, ook. Ik weet nog dat ze als eerste al haar teksten kende. Ze hield van zwemmen (zou het kunnen dat ik daar mijn eigen appreciatie voor zwemmen heb opgedaan?) en had iets mystiek. Maar dat wist ik allemaal niet, toen. Ik bleef dus gewoon verder toneel spelen, hoewel ik wel begon te merken dat mijn initiële zenuwachtigheid verdwenen was en ik begon uit te kijken naar de scènes met de kus.

Eenmaal per week hadden we een repertorium studie-uur. Dit kwam eigenlijk neer op het kijken van een film of serie met z’n allen, waarbij er werd gehoopt dat we en passant wel iets zouden onthouden van de traditie van Britse humor of Hollandse stand-up. We hadden een heel losse leraar wat dit betreft. Een prachtige kerel, overigens. Tijdens deze momenten kwam ze steeds vaker naast me zitten en begon tijdens de les grapjes te maken en me te porren. Ik had nog steeds niets door, maar ik had haar nu wel al erg graag, maar dan eerder als een “coole, slimme, oudere vriendin”.

In de paasvakantie moest er altijd zwaar gerepeteerd worden. Dan zaten we de hele dag te oefenen tot we het allemaal kotsbeu waren, maar eigenlijk vond ik dit wel prima, zo. Ik had niet veel beters te doen, en hoewel het continue repeteren mij ook de keel uithing wist ik dat het nu eenmaal moest, en genoot ik desalniettemin om met de rest er samen door te ploeteren. Een keertje nadat we tot laat hadden doorgedaan stond ik samen met haar buiten te wachten om naar huis te gaan. We waren allebei moe maar-toch-wakker, en ze vroeg of ik geen zin had om gewoon even wat te wandelen. Nu, ik babbelde graag met haar, en dus vond ik dat prima. Ik had totaal geen besef van een ander doel dan gewoon wat wandelen en praten, en waarschijnlijk was dat er toen nog niet. En waarschijnlijk was dat ook de reden waarom ze me echt graag is gaan hebben.

We hadden het over allerlei zaken en niets, eigenlijk. Over het toneelstuk, over onze studies. Over wat we later wilden doen, op de universiteit… die er binnenkort (nog een jaar voor mij, voor haar bijna gedaan, of was het twee en een jaar…) zat aan te komen. Ik wou iets doen met wetenschap (dat was wat ik toen dacht). Fysica, of sterrenkunde of zo. En zij wou iets doen in de letteren. Germaanse, of zo. Maar we hadden veel vragen en angsten, vooral. De wereld zou gaan beginnen veranderen, voor het eerst sinds lang.

“Ik heb nog mijn boterhammen. Wil je er een?”
– “Okee, waarom niet?”
“Het is wel zonder beleg… Wel… gewoon met olijfboter.”

Ik nam er eentje. En toen besefte ik het.

Het blijft de beste boterham zonder beleg die ik ooit in mijn leven heb gegeten.

Maar ik wist niet wat te doen, daarvoor was ik nog veel te onervaren en bedeesd.

Het toneelstuk werd een gigantisch succes. Onze leerkracht was in zijn nopjes. Hij was bezorgd dat we het beoogde effect niet zouden halen, maar iedereen had gewoon geschitterd, vanavond. De kus was lang, intens, zalig, en onder het oog van honderd toeschouwers. Het succes steeg naar mijn bol en ik liep meer dan ooit te voren als pauw te paraderen doorheen de coulissen.

Na afloop van de voorstelling was ik nog wat aan het treuzelen in de kleedkamers. De meeste anderen waren al naar de receptie — de vele felicitaties van de familie en vrienden in ontvangst aan het nemen, maar ik wou opzettelijk nog wat wegblijven. Ik hou ervan om gefeliciteerd te worden, maar ik hou er om een of andere reden nog meer van — toen al — om het zaakje zo lang als mogelijk uit te stellen. Laat mij maar als een achterdeur verdwijnen, tot iedereen vraagt: waar is Vulpius?

En toen kwam zij binnen. Zomaar. Ze was vrolijk, opgewekt, en al lichtjes beschonken (we hadden allemaal wat champagne gekregen).  Ze maakt grapjes, en ergens vanbinnen bewoog er iets in mij: wat was ze knap! Ze nam mijn handen vast en drukte ze tegen de muur achter me aan. Ze kwam dichter — en plots was het geen toneelkus meer. Geen toeschouwers, enkel wij.

En toen heb ik het verknald. Zij wou naar buiten, naar de receptie, hallo gaan zeggen tegen haar vrienden, haar ouders, mijn ouders. Proeven van het moment. Ten volle. Samen. Maar ik wist nog niet goed hoe al die dingen gingen. Ik was te aangedaan. Ik wou niet. Ik wou gewoon hier blijven. Met haar. Waarom kon dat niet? Ik wist eigenlijk niet goed meer wat er allemaal gebeurde.

Toen is ze alleen gegaan. En toen was het voorbij. Ik had het niet eens door, toen.

Vrij veel later (enkele maanden, of zo) hebben we nog een laatste feestje gehouden. De hele klas, bij de leraar thuis. Zij had zich veel verder dan mij gezet en geen woord gezegd de hele avond. Tot mijn grote verbazing, want ik had net gehoopt om nog wat te kunnen praten en — tegen dan wist ik het wel weer — misschien wat meer ook. Maar ze heeft niets gezegd. Ze is naar huis gegaan, zei “tot ziens” met een afstandelijke wangzoen, en ik heb haar nooit meer teruggezien.

Zo gaan die dingen. Tien jaar later kun je ook niet meer op zoek gaan naar deze mensen, natuurlijk. Het zou ook geen zin hebben. We zijn allemaal niet meer dezelfde, ook al zouden we willen. Maar A: het spijt me, ook al hoeft het eigenlijk niet en weet of wist ik ook niet alles: sorry.

Ik ben nog veel elementen vergeten vermelden. Zaken die me onbewust en een beetje bewust opvielen en zo, maar de kern van de zaak heb ik wel, denk ik. Dit werd zowat het eerste bijzondere contact met een meisje wat ook later op gelijkaardige wijze bleef terugkeren en me vrij hard kenmerkt. Het was zelfs trouwens niet de laatste persoon op de toneelschool waar de zaken wat serieuzer mee werden, maar wel zeker een van de belangrijkste, mooiste en prettigste. Dat klinkt trouwens misschien arrogant, zo van “kijk eens hoeveel succes ik heb”, maar de werkelijkheid ontplooit zich natuurlijk op veel droevigere wijze. Mijn laag zelfbeeld gemengd met een torenhoge trots (ja, dat kan) zorgde ervoor dat ik nooit echt kon geloven dat iemand interesse had, wat dan gepaard ging met een blijkbaar onweerstaanbare afstandelijkheid en koelheid. Een koelheid die ik soms tot mijn eigen grote genot ten volle wist uit te spelen wanneer het me niet interesseerde, maar ook veel te vaak de strop was die me de das omdeed.

Gek genoeg heb ik de andere A ook ontmoet in een gelijkaardige setting, al ging het bij haar al snel een heel andere richting uit. Maar dat is een verhaal voor later, en misschien neem ik eerst maar eens een andere letter.

Advertenties