Bystander-effect

door Vulpius

Het was weer eens spektakel, een paar dagen geleden.

’s Middags… Ik wandel naar de koffiebar om even een luchtje te scheppen. In een doorgang tussen twee pleintjes door zie ik een groepje mensen in een kringetje staan.

Kijk, een volkstoeloop, denk ik.

Eenmaal wat verder gelopen zie ik waar deze middagcommotie over gaat: er ligt een oudere man op de grond. Gevallen, neem ik aan.

Misschien wat te lang in de kroeg gehangen.

Hij bloedt aan zijn hoofd, en lijkt niet meteen van zin te zijn om op te staan — of goed wakker. Bij nader inzien ziet hij er niet dronken en niet echt onverzorgd uit, buiten dan het bloed aan zijn hoofd.

“Is er al een ambulance gebeld?” Een meisje, op haar hurken geknield het dichtste bij de man zittend, geeft meteen antwoord: ja. Alsof we daar niet meteen aan gedacht hadden, kwistenbiebel.

De jongen die naast me staat vertelt me dat hij heeft gebeld en geprobeerd heeft de plaats zo goed mogelijk uit te leggen. Ik hoop dat ze weten welke straat naast het hotel het is… stel dat ze verkeerd zitten. Maar dat was al tien minuten geleden — waar blijven ze?

“Stel je voor dat je eens iets echt erg voor hebt, een hartaanval ofzo… je zou het hier waarschijnlijk niet overleven.” Instemmend geknik en gegrom. Ja, met z’n allen klagen over de schandelijkheden van de maatschappij.

“Wie heeft hem gevonden?” Het meisje opnieuw — meteen antwoord — ik. Hij is van mij. Ze studeert misschien geneeskunde, of farmacie, of pedagogie, iets met een -ie, iets met mensen helpen. Dit is mijn kans… dit wil toch worden, later? Blijf van hem af! Hij is van mij! “Heb je hem zien vallen?” Neen. Hij lag er al. Aha, gevonden dus… niet gered. Maar het moest net gebeurd zijn. Was ik maar twee minuten eerder — dan had ik nog het sublieme moment van de “spontane” reactie gehad.

Een van de meisjes van de receptie van het hotel, naast ons, komt aandraven met water en dekens. Even wisselen de twee moederkloeken vlammende blikken uit. Het “bystander-effect” werkt blijkbaar langs twee richtingen. Inmiddels zijn er al wat mensen komen bijstaan. Veel oudere mensen. Ik hoop maar dat ik nooit val. Vroeger was ik nooit bang om te vallen. Arme stakker. Ik hoop echt dat ik nooit zo val. Wat verder staan wat mensen te gluren.

In hun haast om dekens en water aan te brengen zien ze amper hoe de kerel met zijn bebloede hoeft bijna weer tegen de grond aanbotst. “Oh, oh, pas op,” roep ik (ik ga wel niet aan hem komen). Ze zien het op tijd. Meneer let op u doet zichzelf nog pijn. Geen bedankje kan eraf. Hij is van mij. Ook goed, hoor.

Er komen wagens aangereden. Kans voor de jongens om hun ook te bewijzen. Doekjes met ontsmettende middelen zijn al sinds “Belle en het beest” geen mannenzaak meer, maar zwaaien met vlaggetjes (of bij gebrek aan — hun handen) lukt wel. Of meneer zich even aan de kant wil zetten? Ja ja meneer we wachten op de hulpdiensten. Jawel hoor meneer, iemand gevallen. Wat kijk ik uit naar dit verhaal te vertellen morgen aan mijn vrienden. Waarom moest dit nu op een donderdag gebeuren, ik had hier nog de hele week plezier van kunnen hebben!

Echte helden kijken niet naar hun kalender.

Het meisje van het hotel weer — de hulpdiensten komen eraan. Twee mensen. Te voet, want er wordt gewerkt in de straat en ze konden niet door. Weer zo een. Ze zetten zich op hun gemak neer bij de man. Pols, ogen, verward. Rap rap rap. Het meisje gaat bijna in tranen uitbarsten, denk ik. Hij heeft niet graag als je hem aanraakt. Tuurlijk… my fifty shades, mijn project, mijn verdwaalde puppy, mijn isolatieschuim om mijn lekkende hart te vullen. Zomaar uit de armen gerukt. Luister dan!

Ja, we dachten misschien een hartstilstand. De jongen weer. Neen, geen hartstilstand. Laat ons werken. Natuurlijk niet. Ik ben geen dokter, maar ik lees wel eens wat als ik kan. En ik weet dus dat een hartstilstand makkelijk te zien is dankzij een simpel trucje, namelijk aan het feit dat je hart dan stilstaat. Of hij misschien stuiptrekkingen had of met zijn armen aan het zwaaien was. De jongen begint door het dolle heen van ja — ja! — te wijzen en te knikken (ik vermoed even dat hij het gezwaai probeert na te doen), dat wel, dat wel! Weer bliksemblikken van het meisje, maar ze heeft de schouders laten zakken en is nu ook gaan rechtstaan.

Dat is dan waarschijnlijk gewoon een epilepsie aanval, of misschien een hypo gedaan gewoon. Ja, gewoon. Iedereen staart wat in het rond.

“Genoeg de pottenkijker uitgehangen, we laten die mensen nu beter hun werk doen.” Ja inderdaad.

Tien minuten later is er niets meer te zien. Treur maar niet, arm meisje. Je hebt je best gedaan, echt waar.

 

Advertenties