Alfabet der mensen (A2): De kus der vergetelheid

door Vulpius

Wanneer een mens in de stemming is moet een mens zijn driften volgen. Een mens is in de stemming om te schrijven, dus een mens vertelt weer eens een verhaal.

In tegenstelling tot vorige keer helaas geen uitgesponnen romantisch, met jeugdig sentiment-overladen epos — stel je voor zeg! — maar eerder een korte, bondige, en vooral tragische beschrijving.

Het is opnieuw iemand met een “A”. Ik heb er even over getwijfeld om verder te gaan met een andere letter en persoon, maar de inspiratie van het moment brengt me uiteindelijk terug bij deze ingangspoort van mijn menselijk alfabet.

Ik begin ondertussen al te zondigen tegen mijn eigen beginselen. Ik wil zeggen wat ik meen, en ik meen wat ik zeg, en dat vereist de nodige doordachtheid, stijl, en geduld. Helaas bezit ik geen van dit alles, zodat ook dit een melancholische neerslag zal blijken worden. So be it. Op naar onze tweede A… Het wordt vooral een verhaal van spijt, maar ook van vergiffenis.

*
*     *

Gek genoeg moest ik toch wel even (20 seconden) nadenken alvorens me te kunnen herinneren waar en hoe we elkaar ontmoet hebben. Nochtans is het enorm simpel — namelijk net hetzelfde dan vorige keer: toneel! Ik besef me nu pas echt hoe idioot het is om verder te gaan met “A2”, zeker gezien het feit dat de context — aanvankelijk toch — vrij gelijkaardig is. Maar goed, we dwalen af.

Toneel dus, maar niet helemaal hetzelfde. Een groot verschil tegenover de vorige “A” is dat dit toneel georganiseerd werd vanuit ons middelbaar schooltje. Ons schooltje, zoals misschien wel duidelijk is ondertussen, was zo een achtergesteld-maar-toch-Katholiek verblijfje waar de leerkrachten, ouders, en soms zelfs leerlingen uit alle macht probeerden om binnen hun bekrompen omgeving toch aan te tonen dat ze beter waren dan de rest. Beter in de zin van: meer cultuur, meer geloof, meer goed willen doen, kortom: meer levensbeschouwing. Zo heet dat dan. Jesus en Jesus is drie. Zo’n dingen dus.

Maar goed, bij een zichzelf respecterende school hoort uiteraard een leerkracht — liefst eentje die een taal vak geeft — die zo af en toe het lumineuze idee krijgt (noem het een ingeving van God) om “iets met cultuur te doen”. Dat kan een talentenavond zijn, een poëziewedstrijd, of — en dat geeft meteen een goede gelegenheid om de God in het diepst van de leerkracht zijn of haar gedachten naar buiten te laten komen als coördinerende tiran — een toneel.

Toneel, dat doet een leerkracht die een beetje van de wereld is meteen denken aan, u raadt het al, Shakespeare. Wie anders dan onze geliefde wordsmith, playwright, en bard om ons een totaalpakket van geschiedenis, lang-vergeten stijlfiguren en algemeen-gekende-en-aanvaarde verhalen aan te bieden. Met op de bühne? Neen, niet Othello, natuurlijk niet — dat kent immers geen mens. Neen, Romeo en Julia. Met zo een heerlijk gemoderniseerde uitvoering die de taal wel op het niveau brengt zodat een gemiddelde zestienjarige niet continue struikelt over de woorden maar waarbij de eigenlijk inhoud totaal onaangepast blijft aan de denkwijze van de moderne jeugd. Heerlijk toch?

En dus werden er audities gehouden. Nu, die audities, moet u weten, dat was eigenlijk maar een gekke bedoening. Het zit zo: ikzelf had hier de kans niet meer toe, maar het leerplan was net veranderd waardoor leerlingen van het vijfde de kans kregen om allerlei keuzevakken op te nemen. In die tijd was dat nog een beetje in de trant van: “jaja, dat moeten ze op’t unief ook doen”. En dus waren er leerlingen die het vak “toneel en theaterstudie” hadden opgepikt. Enig nadeel? 90% van deze leerlingen waren meisjes, ze waren met erg veel, en 70% van deze leerlingen waren eigenlijk, eerlijk gezegd, belachelijk slecht in toneel. Niets tegen hun persoonlijk, maar het was gewoon zo.

En dus zag de inmiddels licht-paniekerende leerkracht zich genoodzaakt om er externe hulp bij te halen. En externe hulp, dat waren die leerlingen uit het zesde waarvan geweten was dat ze toneel deden. Echt toneel, aan de toneelschool. We waren met een drietal. Twee van ons waren geliefd omdat ze hoge cijfers haalden en steeds een godvrezende beleefdheid aan de dag legden, en een ervan was niet geliefd omdat hij leerkrachten continu tegen de schenen schopte, een zonderling leek, goddeloos was, slechte punten haalde, en dom aanvoelde terwijl hij je toch het gekke gevoel kon geven je van je eigen o-zo zorgvuldig geconstrueerde podium te duwen. Die laatste was ik dus. En omdat er zo weinig waren moest ik erbij. Lekker puh.

De auditie was uiteraard een peulenschil. Zeg wat je wil, maar ik was de beste, en ik wist dat ik de beste was. En zo begon een lange uitputtende tijd van oefenen. Tijdens de middag “speeltijden”, ’s avonds, en in weekends. Niet dat dit me veel uitmaakte, want dit was iets wat ik kende, waar ik me thuis voelde, en waar ik mijn natuurlijke aanleg voor ijdelheid tot uiting kon laten komen — zonder bewust moeite te hoeven doen. En zonder me echt bewust te zijn van mijn omgeving. Toegegeven: op sommige momenten liet ik me wat leiden door leeftijdsgenootjes die meer populariteit genoten (ik ben een bijzonder goede menselijke spons die — wanneer het me uitkomt — snel de gedragingen van anderen kan overnemen), maar uiteindelijk wist ik toch dit alles van me af te schudden en mijn eigen, laissez-faire-achtige plaats te vinden. De leerkracht dacht er overduidelijk nog steeds het zijne van, maar leek mijn “nieuwgevonden [of newfound – hij gaf Engels] serieuze aanpak” toch wel aangenaam te ervaren. Ik ben er zeker van dat hij dacht dat dit kwam door een meesterlijke leiding. Hij was nog de slechtste niet, zeker niet gezien de uitspraken van sommige anderen, maar ook dit is een verhaal voor een andere keer.

A2’s rol was vrij oppervlakkig. Ikzelf had ook geen hoofdrol (die waren weggelegd voor de leerlingen die het vak “toneel en theaterstudie” volgden, een kwestie van noblesse oblige), maar had toch een flinke dosis “screen time”. Ik denk dat ze amper twee zinnen mocht zeggen, waardoor ze me niet echt meteen opviel. Zoals altijd in dit soort toestanden was het dus weer eens zij die toenadering begon te zoeken. Ondertussen ben ik beter geworden in het oppikken van dit soort aanwijzingen, maar soms wou ik dat ik nog die jeugdige naïviteit bezat waarmee ik alles — slecht of goed — gewoon maar op me af kon laten komen.

Achteraf beschouwd was wel duidelijk dat ze wel interesse had. Dit klinkt heel arrogant, maar ik bedoel het eerlijk waar met de grootste tederheid en aardigheid. Ze kwam geregeld tussen scenes door bij mij staan — steeds vergezeld van haar body-guardende vriendin, om me wat chips aan te bieden (ha!, dat klinkt wel gek, maar neem het gewoon even aan) of een praatje te slaan. Ik ben bijzonder gesloten tegenover mensen die ik niet tot mijn “personal circle” reken, en dus moest ze heel wat praatjes slaan alvorens ze — als vijfdejaars en totaal onbekende — door het ijs wist te breken.

Maar toch begonnen we het steeds beter met elkaar te vinden. De eigenlijke doorbraak kwam er eigenlijk vooral tijdens de laatste repetities, die we al oefenden in ons stadszaaltje en waar ik me — met al mijn ervaring — als een koning te rijk voelde. Ik kende dit hele zaakje immers al lang, en voelde me ergens ook gefrustreerd dat het “klootjesvolk” zich zomaar binnen deze heilige plaats durfde te begeven. Ik zeg nu wel klootjesvolk, maar zo dacht ik het natuurlijk niet — waarschijnlijk kende ik dat woord toen niet eens. Punt was gewoon dat ik duidelijk wou maken aan iedereen dat dit mijn natuurlijke jachtterrein was, en dat het mocht geweten zijn ook!

Dit alles zorgde (vermoedelijk) voor een uitstraling van zelfzekerheid, want tussen het oefenen door gingen we met zijn allen lummelen in de kleedkamers of de gangen van de coulissen en kwam ze vaak naast mij zitten. Op een bepaald moment zaten we met zijn allen naast elkaar en flapte ze eruit: “Heb je eigenlijk een vriendin?” Haar gezicht liep meteen rood aan, en een andere jongen was er als de kippen bij om duidelijk te maken dat dit wilde zeggen dat ze interesse had. Mond. Dicht. Jij! Straalde ik naar hem. Natuurlijk wist ik wat dit wilde zeggen, maar ik wou de magie, het mysterieuze en spannende, bijna, van het moment behouden. En dat wist ik dan ook te doen, wonderbaarlijk genoeg. Ik gaf een koel antwoord, gemengd met net genoeg geveinsde jongensachtige nonchalance om ze geboeid — nog meer geboeid — te houden. Dit is zeker niet iets dat ik bewust doe, maar lijkt op dit soort momenten eerder bijna natuurlijk te komen, ten zeerste tot mijn eigen spijt!

Die avonden wandelden we samen naar buiten en bleven we nog wat praten. Om een of andere reden wisten we beiden de moed te vergaren om elkaars e-mail adres door te geven (Facebook bestond niet, hoor!) met de belofte te “chatten”. Tsjah, zo ging dat vroeger. Om een of andere reden had — en heb ik nog steeds — ongelofelijk veel moeite met het vragen naar dit soort arbitraire dingen, maar ik wist en weet nu wel dat meisjes zoiets nooit uit zichzelf zullen geven en bijna zitten te wachten tot je erachter vraagt. Toch voelt dit soort zaken haast altijd aan als een soort zwakheid. Ik ben raar, ik weet het.

En zo begon een lange periode van babbelen en kletsen. Wat waren we nog jong. Het toneelstuk was inmiddels al lang goed verlopen, maar we bleven praten, naar elkaar gluren op school en ons langzaam (zeer langzaam) maar zeker toewerken naar een soortement liefdesverklaring. Je weet wel hoe dat gaat, van het incorporeren van koosnaampjes, het sturen van melige sms’jes tot het afsluiten met een groepje “x”-jes. Ik ben best een romantische ziel, en ik kan begrijpen waarom sommige meisjes — ook zij — zich aangetrokken voelt. Mijn hebbelijke neiging naar mysterie zal er ongetwijfeld ook wel mee te maken hebben.

Toch begon ik langzaam maar zeker te voelen dat er iets mis was. Niet alleen begon ik steeds meer om meer afgeleid te raken door mijn verdere studiekeuze — en plannen, ook begon ik me af te vragen of ikzelf eigenlijk wel gevoelens had. Ben ik verliefd op haar, of ben ik verliefd op het gevoel van aandacht? Dat klinkt als verschrikkelijk egocentrisch en puberaal, maar het waren wel de dingen die ik me afvroeg, toen. Dat is altijd iets vreemd geweest, bij mij. Aan de ene kant krijg ik bijzonder snel het gevoel dat ik meer geniet van de aandacht dan van de persoon, en aan de andere kant wil ik alles in het werk stellen om te zorgen dat ze zich compleet op hun gemak en geliefkoosd voelen. Dit zorgt voor een onhoudbare juxtapositie (geen idee of dit correct Nederlands is) waar ik altijd aan ten onder ga.

Naarmate ik mezelf meer zorgen begon te maken en mijn communicatie hierdoor afnam begonnen haar pogingen tot toenadering juist meer toe te nemen in intensiteit. De apotheose kwam uiteindelijk op een schoolfuif (ik wil niet ingaan op details) die ik zelf mee organiseerde, en waar zij ook aanwezig was. Op de avond zelf was ik ondertussen meer dan goed beschonken, en zij zat een beetje verweesd te kijken, aangezien ze natuurlijk speciaal — of toch voor een groot deel — voor mij was gekomen, en ik haar geen aandacht schonk. Ik kan bijzonder bruut zijn, soms.
Nadat mijn vrienden me uitdrukkelijk hadden duidelijk gemaakt dat ze wou praten met mij besloot ik dat mijn ego genoeg gestreeld was en ging ik bij haar staan. De dingen die ik toen heb gezegd ga ik hier niet herhalen, maar er waren veel lieve woordjes bij die deels recht uit het hard kwamen, en deels gevoed werden door mijn eigen vreselijke drang naar attentie. Nu ben ik daar vrij eerlijk in, maar ik wou dat ik haar dit toen ook duidelijk kon maken. In ieder geval, blijkbaar was ze helemaal weg van mij. We gingen “naar buiten” (zo gaat dat als je jong bent) en vielen elkaar onmiddellijk in de armen. In een steegje achter het zaaltje begonnen we intens aan elkaars lichaam te zitten, zelfs zo verregaand dat voorbijrijdende wagens hard begonnen te claxonneren. Ha! Het leven toch.

Jammer genoeg had ik nog niet genoeg levenservaring om dit soort willekeur te nemen voor wat het is en de ingeslagen weg ook meteen verder te volgen. In plaats hiervan besloot ik mijn innerlijke tent op te zetten om even te bezinnen, en zodoende mijn interne mentale schakel om te draaien van “zelfingenomen held” naar “gesloten kluizenaar”. Helaas dacht zij dat alles in kannen en kruiken was, want de dag nadien kreeg ik allerlei met mooie woordjes gevulde berichten, gaande van “fonkelende ogen” tot “denk steeds aan jou”. Hoe meer ze stuurde, hoe meer ik angst begon te voelen en hoe meer ik dichtklapte. Hoe idioot.

Feit is gewoon dat ik slechts in twee situaties klaar ben voor bepaalde handelingen. Een: ik ken de handeling, heb onderzoek verricht en weet perfect hoe alles in elkaar zit (helaas niet het geval) of — twee: ik ben in een temporale staat van emotionele high-ness (niet: “highness”) en kan alles aan (maar helaas tijdelijk). Ze had pech met de timing, en pech dat ze hier niet doorheen kon kijken en me kon redden van mijn eigen dwanggedachten. Ik ben inmiddels vrij goed geworden in langdurige zelfinductie van deze high-ness, maar toen ging dat allemaal nogal lastig.
Ik heb haar toen vervolgens compleet genegeerd, en ik voelde mij hier bijzonder slecht bij. Nog steeds trouwens. Ik ben vertrokken naar de universiteit, en maandenlang is ze aan vrienden blijven vragen of ik niet iets gezegd had waaruit kon blijken wat er nu eigenlijk aan de hand was. Natuurlijk niet. Ik ben een gesloten boek. Een tijdje later is ze speciaal naar een verjaardagsfeestje van een vriendin gekomen om me te zien en te spreken, maar ook daar gedroeg ik me als een walgelijke zak die haar compleet negeerde. Uiteindelijk heeft ze zelf ook elk contact verbroken. Een klein jaartje later kwam ik te weten dat ze erg gelukkig was bij haar nieuwe vriend, en voelde ik me wat in mijn eer gekrenkt. Ja — ik was zelfs zo arrogant om te verwachten dat ze haar leven lang zou zitten treuren om mij. Arrogant misschien wel, maar ik heb ook zelf nog wekenlang met haar foto in mijn portefeuille zitten rondlopen. Een triest verhaal.

De waarheid is dat ik heel mijn leven lang zal treuren om haar. A2 — je was veel beter voor mij dan ik ooit verdiende of zal verdienen. Ik wou dat ik meer wijsheid en moed had om te doen wat ik moest doen. Het spijt me bijzonder hard, en ik hoop dat je mij hebt kunnen vergeven. Ik heb er lang aan gedacht om eens met je spreken om je te vertellen dat ik bezorgd was over mijn eigen toekomst — met studies en zo — en door de stress niet goed wist wat te doen, maar de waarheid is dat ik gewoon een laffe beunhaas was, en nog steeds een beetje ben, eigenlijk. Met dit verschil dat ik het nu kan negeren, en toen niet. Mijn eigen puberale ijdelheid gooide roet in het eten. Sorry. Het zou erg makkelijk zijn om toch nog eens contact op te nemen, maar laat ons eerlijk zijn – het zand des tijds heeft alles al onder de vergetelheid bedolven. En het zou toch raar zijn moest ik nu nog laten blijken dat ik er nog aan denk? Dan lijkt het net alsof ik nooit aan iets anders gedacht heb, stel je voor.

Zucht. Ik moet hierbij steeds denken aan volgende INTJ-quote:

An INTJ can quickly and cleanly remove oneself from an unhealthy relationship, but may privately ruminate on those emotional scars for a long time.

Advertenties