Zo raak je (ik) haar kwijt

door Vulpius

“Zo raak je haar kwijt” — het is de titel van een boek van Junot Díaz dat ik een tijdje geleden kocht, voornamelijk omdat de achterflap tekst me wel aanstond:

De hoofdpersonen in “Zo raak je haar kwijt” hebben één ding gemeen: een talent het te verpesten bij de vrouwen met wie ze leven of op wie ze verliefd zijn. Soms op hilarische wijze, soms vol mededogen, beschrijft Díaz uiteenspattende liefdes. Het is een bundel vol verhalen over mannen met spijt (omdat ze bijvoorbeeld te vaak zijn vreemdgegaan) en vrouwen die boos zijn. En vooral over mensen die ‘smekend, huilend’ proberen te repareren wat onherstelbaar gebroken is.

Ha, dacht ik: een boek over mij. Ook ik slaag erin om het steeds altijd op een of andere manier te verpesten. Vaak gaat dit ongeveer als volgt:

  1. Het gefaalde experiment van vorige keer is vergeten. Dit heeft als resultaat dat ik nu:
    • a) Ofwel nog steeds down ben en 200% nonchalance uitstraal.
    • b) Dit vergeten ben en weer in een ijdele periode ben en zelfzekerheid uitstraal.
  2. Dit zorgt ervoor dat een bepaald type vrouw me opmerkt. Meestal het “hulpverlenende” type (dokters, verpleegsters) maar ook pedagogische begeleiders, leerkrachten, mensen die “iets met muziek en kinderen doen” of gewoon vrouwen die vallen op mysterie — iets wat ik aanvankelijk bijzonder krachtig uitstraal.
  3. “We hit it off,” zoals dat heet. Een goed gesprek, een date of diner, naar de film of wandelen. Mijn batterijen zijn opgeladen en kan weinig-verhullend mysterie afwisselen met goede humor. Ik zie ze denken: “Wat is dit toch voor iemand…”
  4. De eerste serieuze afspraak, het moment waarbij je weet dat het serieuzer wordt, bedoel ik. Hier beginnen de waarschuwingslichtjes te knipperen, althans bij mij. Ik merk enkele dingen op die we wat minder aanstaan, besef dat ik misschien niet compatibel ben met iemand die “iets met muziek en kinderen doet”, of althans niet volledig. Ik probeer uit te leggen dat ik het ook nog niet allemaal op een rijtje heb en mijn leven schommelt tussen bloedserieus werken, pijnlijke depressies, onuitstaanbare ijdelheid en artistieke escapades. Ik heb ooit ook nog wel een instrument gespeeld, en toneel, en ken veel films. En boeken. Maar helaas, zo weinig tijd hiervoor nog. “En doe je dat graag dan, wat je doet nu?” Ja… neen… ik weet het niet. Eigenlijk niet.
  5. Op dit punt gebeurt er al een filtering. Vinden ze het te gek, dan haken ze snel af, sommigen doen wat meer moeite. Vroeger zou ik het me niet aangetrokken hebben en het vertikt hebben om er tijd in te steken, maar tegenwoordig maak ik er een erezaak van om te tonen dat ik tijd en moeite wil steken in dit soort dingen (relaties en zo, weet je wel?). Vaak met weinig succes. En dan zijn er zij die wat verder willen gaan.
  6. Maar je merkt dat er iets anders is, zowel bij hun als bij mezelf. Ze zijn niet meer zo spraakzaam als eerst, niet meer zo geïnteresseerd  niet meer zoveel lieve woordjes. Het idee van “we hebben elkaar hier zomaar plotsklaps gevonden” vervaagt. Ondertussen probeer ik mijn best te doen om… ja, om wat eigenlijk? Om te tonen dat ik er om geef. Om te tonen dat het echt niet mijn bedoeling is om heel mijn leven lang die eenzaat te blijven.
  7. Het gevolg is dat het snel allemaal een beetje zielig wordt en ik begin met dingen te zeggen om maar iets te zeggen. De onderwerpen zijn geforceerd, de grapjes ook, er is geen communicatie. Het idee van mysterie is compleet doorprikt, en “wat een diepgaande persoonlijkheid moet die hebben” wordt zonder wil en weten: “Wat een saaie oppervlakkige kerel, ik kan niet begrijpen wat ik daarin zag… en nu begint ‘ie me nog te achtervolgen ook. We zullen hem langzaam en voorzichtig aan de kant laten staan.”

Met na verloop van tijd een uitbarsting van depressie, berusting, en uiteindelijk weer zelfgenoegzaamheid (ik ben toch beter, ik wist het wel — ik zag al zoveel minpuntjes). De batterijen laden zich weer op, en even later kan de cyclus zich weer herhalen.

Ik heb het boek nog niet gelezen. Het ligt thuis op tafel, en ik zit voor een tijdje in het buitenland. Maar ik denk dat ik meer dan een hoofdstuk zou kunnen vullen, had ik mogen meeschrijven.

We zitten nu in fase 6-7. Ik probeer mijn best te doen, maar ik heb het gevoel dat ik het tij niet meer kan keren. En ik wil ook niet de clown zijn die tegen beter in blijft aanbellen bij een gesloopt huis waar al jaren lang niemand meer woont en een bordje hangt: onbewoonbaar verklaard.

Advertenties