Damaged goods

door Vulpius

Het is zo laat. Ik ben zo moe.

Ik begin feestjes te haten. Het klikt zo goed. Iemand waarbij je jezelf kunt zijn. Er wordt gelachen, het is fijn.

Dan — de volgende keer, de “ommeslag”. De depressie, de zwartheid, de stilte.

“Misschien moet je eens proberen wat vlotter te zijn.” Maar ze blijft staan. Mysterie spreekt aan, vermoed ik.

Blijf nog even, drink er nog eentje. Toe, voor mij.

“Wat vind je eigenlijk niet saai in je leven?” Het is een korte, eerlijke, gerichte vraag. Zo heb ik ze graag. En ze slaat me met verstomming. Ik kan er geen antwoord op geven. Ik weet het niet.

Wat boeit je, wat zijn je hobby’s. Ik haat hobby’s. Dan zeg je een of andere term en net datgene zal dan het onderwerp worden waarvan men verwacht dat je er je dagen mee vult, of er enorm veel van af weet. En zou dan blijken dat je er toch niet alles over weet — omdat je geheugen slecht is, zoals het mijne, of het je eigenlijk ook weer niet zo veel kan schelen — dan kijken ze je half-ontgoocheld aan. Oh jammer, toch niet zo gepassioneerd dus.

Dus geen hobby’s. Bezigheden, eerder. Omdat het zo hoort. Omdat de sleur van het leven ons uiteindelijk allemaal een lap rond de oren met de zweep geeft.

Ik sta poedelnaakt, emotioneel dan. Recht tot de kern. Ik vind eigenlijk alles saai geworden. Ik ben een apathisch type.

We hangen nog wat. En dan krijg ik het verhaal te horen. Levensproblemen, liefdesproblemen. Je kent dat wel. Ze is slim, en ik probeer haar uit te leggen dat mensen uit lagen bestaan en hetgene ze tonen aan de oppervlakte soms helemaal niet overeenstemt met datgene wat ze willen. Voorbeelden worden gegeven etcetera enzoverder. Ik vind het al saai worden, want ik weet hoe de vork aan de steel zit. Maar ik luister. Ik ben aardig.

En ik besef al dat ik me later slecht zal voelen omdat ik mezelf weer in de positie van wijze oude luisterende heer heb laten drijven, die zich later weer moet snijden, bezatten of drogeren. Maar dat weten ze niet, natuurlijk.

Afscheid nemen. De high road kiezen. Vertrekken nu je nog wat controle hebt, dat heb ik ondertussen wel geleerd. Bedankt voor alles. Ik heb het gevoel alsof ik je al jaren ken. Ik vertrouw je. Wat raar. Ja, ja, dat weet ik, dit is niet de eerste keer. Dank je, “I guess”, maar veel heb ik er niet aan.

Meestal denken ze dan nog dat ze mij vrij snel doorhebben. Ik wil zelf eens doorgrond worden in plaats van dat ik het altijd moet doen. Toegegeven, ik maak het niet makkelijk — het is immers een competitief spel voor mij — maar het zou fijn zijn om te verliezen.

“We komen elkaar nog tegen, denk ik! Bedankt voor te luisteren.” Met veel tegenzin laat ze me gaan. “Blijf je echt niet.” Neen, ik ben je broer of psycholoog niet. Dat wou ik 6 jaar geleden wel zijn, bij iemand anders. Nu niet meer.

We zijn allemaal damaged goods. Sommigen iets minder dan anderen, maar denken dat ze het slechter hebben. Sommigen compleet verwoest, maar er gek genoeg nog goed in zijn om de schijn op te houden.

Ach ja, het is beter dan niets. Je intrigeert tenminste nog, vergeleken met al de rest. Dat is toch ook iets waard? Maak maar als een slecht-begrepen arrogante ijdele jaloerse en moreel-gehandicapte Jezus de rest van de wereld blij. Nadien zullen ze je kruisigen omdat je zo hard was, maar ze zijn dan toch gered.

Advertenties