Euforie voorbij

door Vulpius

Dit wordt weer een stroom van gedachten. Hic sunt draconis. Niet verder treden.

De week zit er weer op. Een gevoel van euforie. Hard gewerkt. Gisteren weer eens tot na middernacht.

Een tijdje geleden zag ik die reportage. Was het op Panorama? Maakt ook niet uit. Over die Chinezen die zich — echt letterlijk — kapot werken, dood werken. Ik dacht toen: zo wil ik ook zijn — neen: zo ben ik ook. Neen, zo ben ik gedoemd te zijn.

Een beter persoon zou hier dan een les uit trekken, maar niet ik. Ik ben de laatste tijd al een tijdje aan het zagen over werk, maar daar gaat het zelfs niet eens om, eigenlijk.

Het gaat hem om het feit dat er eigenlijk, als we er over nadenken, helemaal niets meer is. Onlangs vroeg iemand mij — iemand die mij eigenlijk wel nauw aan het hart ligt — of ik kwaad was. Ik was zo kortaf, de laatste tijd. Hoe leg je zoiets uit. Ik kan gewoon niet meer de moed opbrengen om te blijven praten. Gewoon even samen zitten, en even zwijgen, maar dat kan niet voor de meesten. Ik was er het hart van in. Maar blijven doen alsof alles zo super-fantastisch-tof is… toch ook weer niet.

En dan begin je een inventaris van je leven te maken, zo heet dat dan verbloemd. Bon, goed, werk dus niet. Hobby’s dan? Ja okee, we lezen en we kijken films, en we volgen met series, en ondertussen beginnen we ons hoe langer hoe meer af te vragen waarom eigenlijk allemaal. Dan maar muziek, toch ook niet dat, of sporten, niet voor mij.

Alles blijft steeds maar hetzelfde.

Elke winter lullen we over hoe fijn kerstmis niet is. En elke zomer over hoe lekker een barbecue wel niet kan zijn.

Het zijn allemaal van die dingen waar het enig is om over te lullen als je het wel voor elkaar hebt. Uitbollen maar. Dit en dat en zus en zo. Maar niet als het niet zo is, weet je?

Verslaving ook goed en wel, maar na een tijdje blijft dat ook niet meer doenbaar. Iemand vroeg me vanavond of ik iets te verkopen had. “Niet meer,” zeg ik, want zo ben ik. Een beetje het avontuur opzoeken. “Het is niet voor mij hoor.” — “Ja, ja dat weet ik wel.” Geen idee waar ik mee bezig ben. Om een of andere reden heb ik een smoel die zegt: bij mij moet je zijn.

Een tijdje geleden kon ik thuiskomen, niet tevreden zijn, maar nog denken: er is hoop, er is nog dit en je hebt nog dat gehad. Het is niet perfect maar je komt er wel. Dan maakte ik me zorgen. En nu niets meer.

Dan heb je wel van die klagende vrienden. En dit kan ik niet, en ik heb dat niet, en je staat er zo veel beter voor. Maar als puntje bij paaltje komt nemen ze ook de biezen eenmaal alles in kannen en kruiken is. Nu nog niet, maar dat komt wel, het duurt gewoon wat langer. Weet je nog hoe je zo in de put zat? Neen, weet ik niets meer van. Ook goed, dan.

En dan zijn er die anderen waar je wel van denkt: ja, hij of zij zit ook wel in de put, maar dat zijn dan ook mensen die nooit iets zouden laten weten. Nooit een schreeuw om hulp. Nooit een schreeuw eigenlijk. Om wat dan ook.

En dan die “volgelingen” — psychologes meestal — die erop uit zijn een thesis te vullen met een boeiend onderwerp. Die je maar blijven nalopen. Hoe meer ze schreeuwen om openheid, hoe meer ik er baat bij heb om te zwijgen. Zo ook weer wel.

Hoeveel mensen er hier terecht komen met de zoekterm “existentiële crisis”, het is haast niet te geloven. Jammer genoeg zullen ze hier geen soelaas vinden (de post in kwestie was zelfs niet eens zo veelzeggend) — pech! Maar gelukkig geeft het Internet ook  weer iets nieuws. In nog geen vijf seconden.

En ik weet ook dat ik iets meer moeite zou moeten doen wil ik verder geraken. Iets vrolijker. Maar waarom hoeft dit zo nodig, vraag ik me af. En het erge is, ik zit hier te kniezen al lijk ik iemand die iedere dag zwartgekleed over straat loopt, maar over het algemeen vinden mensen me juist vrolijk, los, een feestneus, iemand die wel eens wat gezien en gedaan heeft. Gezien wel. Gedaan niets. Is dat niet gek?

En ergens klopt het ook wel. Soms ben ik los, en vrolijk, en humoristisch — vaak zelf. Maar het slaat om als de wind. Bipolair? Ach neen, dat ook weer niet, maar mensen hebben er wel moeite mee dat anderen blijkbaar uit meerdere facetten bestaan.

Onlangs lag ik te woelen in bed. Nachtmerries. Niet eng, maar een soort waarschuwing. Zoek het verenigingsleven op. Unie van vrijzinnigen. Toneel. Een boekenclub. Allemaal heel brave dingen eigenlijk. Hier en daar met een zweempje krankzinnigheid, maar anders dan neervallen achter een toog, ergens. Deze gedachte teistert me wel vaker de laatste tijd.

Is dat niet gek? Misschien het buikgevoel toch ook maar weer eens volgen, ooit.

En dan vragen ze: wat wil je later doen. Ik zeg wel altijd: ik heb nog tijd, of: ik weet het nog niet, of: ik ga eens beginnen rondkijken. Maar eigenlijk boeit het me niet. Ja, ik ga me veel zorgen maken, maar uiteindelijk valt er altijd iets uit de lucht. Een mens moet zich bewust zijn van zijn eigen gaven. Als je buiten het normale valt moet je ook niet proberen al te normaal te doen.

Advertenties